Koperweerstand corrigeren voor temperatuur — de 234,5-formule en waarom R20 metingen vergelijkbaar maakt
Koperweerstand corrigeren voor temperatuur — de 234,5-formule en waarom R20 metingen vergelijkbaar maakt
De [gids over R1+R2-continuïteitsmeting van de beschermingsleiding](/guides/nen-3140/continuiteitsmeting-r1-r2-beschermingsleiding) en de gids over micro-ohmmeter-contactweerstandsmeting behandelen beide hoe een weerstandsmeting wordt uitgevoerd en tegen welke drempel- of vergelijkingswaarde deze wordt getoetst. Geen van beide gidsen behandelt een subtiliteit die relevant wordt zodra metingen over de tijd of tegen een berekende waarde worden vergeleken: de weerstand van een koperen (of aluminium) geleider is geen vast getal, maar hangt af van de temperatuur van de geleider zelf op het moment van meten, en een ruwe meting op een warme dag is niet zomaar vergelijkbaar met dezelfde meting op een koude dag zonder eerst voor dat verschil te corrigeren.
Waarom geleiderweerstand afhangt van temperatuur
De resistiviteit van koper, net als die van de meeste metalen, neemt bij benadering lineair toe met de temperatuur over het normale bereik dat in installatiewerk voorkomt. Een geleider gemeten bij een hogere temperatuur geeft daardoor een hogere weerstand dan dezelfde geleider gemeten bij een lagere temperatuur, puur door het temperatuurverschil, zonder enige verandering in de toestand van de geleider zelf. Dit speelt in twee samenhangende maar verschillende situaties:
- Een meting over de tijd trenden — bijvoorbeeld de R1+R2- of micro-ohmmeter-meting van dit jaar op een specifieke verbinding vergelijken met die van vorig jaar, om een ontwikkelende hoogohmige verbinding op te sporen voordat deze een thermisch probleem wordt (zie de [gids over thermografie delta-T](/guides/practical/thermografie-delta-t-beoordelingscriteria-urgentie)). Als de twee metingen bij verschillende geleidertemperaturen zijn genomen, kan een stijgende trend gedeeltelijk of volledig worden verklaard door het temperatuurverschil in plaats van een daadwerkelijke verslechtering van de verbinding.
- Een gemeten waarde vergelijken met een berekende of getabelleerde waarde — bijvoorbeeld een gemeten geleiderweerstand toetsen aan de referentieresistiviteitswaarden uit IEC 60228, die zelf zijn opgegeven bij een gedefinieerde referentietemperatuur (20 °C).
De 234,5-formule
Om metingen bij verschillende geleidertemperaturen vergelijkbaar te maken, wordt de gemeten weerstand omgerekend naar de equivalente waarde bij een gemeenschappelijke referentietemperatuur, conventioneel 20 °C, aangeduid als R20. Voor koper wordt hiervoor de volgende formule gebruikt:
R20 = Rgemeten × (234,5 + 20) / (234,5 + t_gemeten)
waarbij Rgemeten de daadwerkelijk gemeten weerstand is bij de temperatuur van de geleider op het moment van meten (t_gemeten, in °C), en 234,5 de conventionele constante (in °C) is die samenhangt met de temperatuurcoëfficiënt van weerstand van koper in deze lineaire benadering. Deze constante representeert de (geëxtrapoleerde, niet fysiek reële) temperatuur waarbij de weerstand van koper nul zou bereiken als de lineaire benadering tot dat punt zou worden doorgetrokken — het is een wiskundig hulpmiddel afgeleid van de weerstand-temperatuurcoëfficiënt van koper, geen fysieke eigenschap die rechtstreeks wordt waargenomen. Aluminium geleiders gebruiken een andere constante binnen dezelfde formulestructuur (doorgaans aangeduid als ongeveer 228, hoewel de exacte waarde licht varieert tussen referentiebronnen) — de constante is materiaalspecifiek en mag niet worden hergebruikt tussen koper- en aluminiumberekeningen. Omdat de exacte referentieconstante enigszins kan variëren tussen normen en referentietabellen, moet de specifieke gebruikte constante altijd worden geverifieerd aan het brondocument dat voor een gegeven berekening wordt gevolgd, in plaats van te worden aangenomen.
Wat "geleidertemperatuur" hier daadwerkelijk betekent
De temperatuur die in deze formule thuishoort is de temperatuur van de geleider zelf op het moment van meten, niet noodzakelijk de omgevingsluchttemperatuur die met een thermometer in de buurt wordt afgelezen. Voor een geleider die recent belastingsstroom heeft gevoerd, of die wordt gemeten met een testtroom die hoog genoeg is om merkbare zelfopwarming tijdens de test zelf te veroorzaken, kan de geleider meetbaar warmer zijn dan de omringende lucht, en het gebruiken van de omgevingswaarde in plaats van de daadwerkelijke geleidertemperatuur introduceert een fout in de correctie. Voor een spanningsloze geleider die lang genoeg in rust is geweest (geen belastingsstroom) om thermisch evenwicht met de omgeving te bereiken, is de omgevingstemperatuur normaal gesproken een adequate benadering van de geleidertemperatuur.
Praktische relevantie
Bij het trenden van weerstandsmetingen op dezelfde verbinding of geleider over opeenvolgende inspectiecycli — of het nu R1+R2- continuïteitswaarden uit periodieke NEN 3140-inspectie of micro-ohmmeter-contactweerstandsmetingen uit schakelinstallatie-onderhoud betreft — is het vastleggen van de geleidertemperatuur op het moment van elke meting, en het corrigeren van elke meting naar R20 voordat ze worden vergeleken, wat de trend betekenisvol maakt. Ruwe, ongecorrigeerde metingen op verschillende dagen bij verschillende temperaturen vergelijken riskeert ofwel het maskeren van een echte ontwikkelende fout (als de recentere meting toevallig kouder is) ofwel het geven van een vals alarm (als de recentere meting toevallig warmer is), en geen van beide weerspiegelt de daadwerkelijke toestand van de verbinding.
Veelgemaakte fouten
- Ruwe weerstandsmetingen vergelijken over verschillende seizoenen of tijdstippen zonder temperatuurcorrectie — een stijgende trend kan gedeeltelijk of volledig een temperatuurartefact zijn in plaats van een ontwikkelende fout.
- De omgevingsluchttemperatuur gebruiken terwijl de geleider zelf warmer is, bijvoorbeeld kort nadat de geleider belastingsstroom heeft gevoerd, of tijdens een test met een zelfopwarmende testtroom — dit onderschat de benodigde correctie en laat het R20-resultaat te hoog uitkomen.
- De 234,5-constante van koper hergebruiken voor een aluminium geleider — de referentieconstante is materiaalspecifiek; aluminium vereist een eigen constante binnen dezelfde formule.
- De waarde 234,5 behandelen als een direct meetbare fysieke eigenschap van koper — het is een wiskundig hulpmiddel uit de lineaire weerstand-temperatuurbenadering, geen temperatuur waarbij koper daadwerkelijk nul weerstand bereikt.
Gerelateerd
Verder lezen
- IEC 60034-1Motor-derating bij hoogte en omgevingstemperatuur (IEC 60034-1) — waarom een motor op de berg minder vermogen mag leveren
- PracticalAardingsweerstand meten — 3-puntsmethode en de TT-vuistregel
- PracticalAardingsweerstand meten met de clamp-on (tang)methode — zonder hulpelektroden
- IEEE 81Bodemweerstand meten — de Wenner-viermeetmethode
- IEC 61851-1IEC 61851 laadmodi (Mode 1-4) voor elektrische voertuigen — overzicht en praktische verschillen
- IEC 61800-3Frequentieomvormers installeren — EMC-aarding en lagerstromen (IEC 61800-3)