NEN-Hub
🔍
IEC 61851-1

IEC 61851 laadmodi (Mode 1-4) voor elektrische voertuigen — overzicht en praktische verschillen

Beschikbaar in: en, nl, pl, ru, ua
Bijgewerkt: ≈ 4 min lezen

IEC 61851 laadmodi (Mode 1-4) voor elektrische voertuigen — overzicht en praktische verschillen

De gids over het Control Pilot-signaal gaat in op de spanningsniveaus en de PWM-duty-cycle van het CP-signaal zoals dat bij Mode 3-laden wordt gebruikt. Dit artikel behandelt een niveau hoger: het onderscheid tussen de vier laadmodi die IEC 61851-1 definieert, en waarom niet elke modus geschikt (of toegestaan) is voor een vast laadpunt.

De vier laadmodi

ModusAansluitingBesturing/beveiligingTypische toepassing
Mode 1Rechtstreeks op een gewoon stopcontactGeen eigen besturings- of beveiligingsvoorziening in het laadsnoer — de installatie zelf moet de bescherming leverenLichte tweewielers, in sommige landen beperkt of niet toegestaan voor auto's
Mode 2Gewoon stopcontact, met een in-kabel besturings-/beveiligingsdoos (IC-CPD) in het laadsnoer zelfControl Pilot-communicatie én reststroombeveiliging ingebouwd in de kabelIncidenteel laden op een bestaand stopcontact, met de meegeleverde "noodkabel" van de fabrikant
Mode 3Vast laadpunt (wallbox/laadpaal) met een vaste aansluiting op de installatieControl Pilot-communicatie en beveiliging ingebouwd in het laadpunt zelfDe gangbare oplossing voor vaste laadpunten thuis, op het werk en openbaar
Mode 4Gelijkstroom-snelladen via een externe laderVermogenselektronica (gelijkrichting) bevindt zich buiten het voertuig, in de laadinfrastructuur zelfPublieke DC-snelladers langs snelwegen en op laadpleinen

Waarom Mode 3 de gangbare keuze is voor een vast laadpunt

Bij Mode 3 is de Control Pilot-communicatie (zie de CP-signaal-gids voor de spanningsniveaus 12V/9V/6V/3V) en de reststroombeveiliging vast in het laadpunt zelf ingebouwd — niet in een los, kwetsbaar in-kabel kastje zoals bij Mode 2. Dit maakt Mode 3 de meest robuuste en voorspelbare oplossing voor een permanent geïnstalleerd laadpunt, en de in de praktijk gangbare uitvoering voor een NEN 1010 §722-conforme laadinstallatie (zie de §722-gids).

Mode 1 en Mode 2: waarom deze minder geschikt zijn voor een vaste installatie

Bij Mode 1 ontbreekt elke vorm van communicatie of specifieke beveiliging in het laadsnoer zelf — de bescherming moet volledig van de vaste installatie (het stopcontact en de bijbehorende groep) komen, met als risico dat een gewoon stopcontact niet is ontworpen voor het langdurig continu leveren van het volle vermogen dat een voertuig kan vragen. In een aantal landen is Mode 1-laden van auto's daarom beperkt of niet toegestaan.

Mode 2 voegt een besturings- en beveiligingsvoorziening toe in het laadsnoer zelf (de IC-CPD, vaak herkenbaar als een verdikking in de kabel), waardoor het wél mogelijk is veilig op een gewoon stopcontact te laden — maar deze voorziening zit dan in een kabel die regelmatig wordt op- en afgerold en aan mechanische slijtage blootstaat, in tegenstelling tot de vast gemonteerde elektronica van een Mode 3-laadpunt. Mode 2 wordt daarom vooral gebruikt als incidentele oplossing (de meegeleverde "noodkabel"), niet als structurele voorziening.

Mode 4: vermogenselektronica buiten het voertuig

Bij Mode 4 vindt de gelijkrichting van wisselstroom naar gelijkstroom niet in het voertuig zelf plaats (zoals bij Mode 1-3), maar in de externe laadinfrastructuur — de lader levert de gelijkstroom rechtstreeks aan de accu van het voertuig. Dit maakt aanzienlijk hogere laadvermogens mogelijk dan met wisselstroom-laden (Mode 1-3) haalbaar is, en is de basis van publieke DC-snelladers.

Praktische relevantie

Bij het beoordelen van een laadoplossing moet eerst worden vastgesteld welke modus van toepassing is, vóórdat de installatie-eisen worden bepaald: een Mode 3-laadpunt vraagt om een vaste NEN 1010 §722-conforme aansluiting met de bijbehorende beveiligingen in het laadpunt zelf, terwijl een Mode 2-oplossing op een bestaand stopcontact andere, minder structurele eisen kent — en Mode 1 voor autoladen in veel gevallen niet passend of toegestaan is.

Veelgemaakte fouten

  1. Mode 1 en Mode 2 door elkaar halen — het cruciale verschil is de aanwezigheid van een besturings-/beveiligingsvoorziening in het laadsnoer zelf (IC-CPD), die Mode 1 mist en Mode 2 wél heeft.
  2. Een Mode 2-"noodkabel" structureel als vaste laadoplossing gebruiken — de in-kabel elektronica van Mode 2 is ontworpen voor incidenteel gebruik, niet voor continue, dagelijkse belasting zoals een vast Mode 3-laadpunt.
  3. Aannemen dat elk laadpunt "gewoon" Mode 3 is zonder te verifiëren of de communicatie en beveiliging daadwerkelijk in het laadpunt zelf zijn ingebouwd.
  4. Mode 4 (DC-snelladen) verwarren met een gewoon Mode 3-laadpunt met hoog vermogen — bij Mode 4 vindt de gelijkrichting buiten het voertuig plaats, wat een fundamenteel andere infrastructuur vergt dan wisselstroom-laden.

Gerelateerd

Verder lezen