Aardingsweerstand meten — 3-puntsmethode en de TT-vuistregel
Aardingsweerstand meten — 3-puntsmethode en de TT-vuistregel
Bij een TT-stelsel (eigen aardelektrode, geen directe verbinding met de PEN van het net) is de weerstand van die aardelektrode bepalend voor de werking van de RCD-beveiliging. Deze gids behandelt de praktische meting van die aardingsweerstand (RA) en de rekenregel die bepaalt of een gemeten waarde voldoet.
De TT-vuistregel
IEC 60364-4-41 stelt voor TT-stelsels de eis:
$$R_A \times I_{\Delta n} \leq 50\ V$$
- RA — weerstand van de aardelektrode plus beschermingsleiding (Ω)
- I∆n — nominale aanspreekstroom van de RCD (A)
- 50 V — de maximaal toelaatbare aanraakspanning bij een fout
Ingevuld voor gangbare RCD-waarden:
| RCD I∆n | Maximaal toelaatbare RA (theoretisch) |
|---|---|
| 30 mA | ≤ 1667 Ω |
| 100 mA | ≤ 500 Ω |
| 300 mA | ≤ 167 Ω |
Praktische grens: 200 Ω
Hoewel de rekenkundige grens bij een 30 mA-RCD dus theoretisch tot bijna 1667 Ω zou toestaan, wordt in de praktijk een veel strengere richtwaarde gehanteerd: een aardelektrode met een weerstand boven circa 200 Ω geldt als instabiel — de weerstand van een aardelektrode varieert met bodemvocht, temperatuur en seizoen, en een hoge basiswaarde laat weinig marge voor die natuurlijke schommeling. Het streven is daarom RA ≤ 200 Ω voor RCD's tot en met 100 mA, ruim onder de theoretische rekenkundige grens.
De 3-puntsmethode (fall-of-potential)
De gangbare meetmethode voor aardelektrodeweerstand:
- Plaats twee hulpelektroden in een rechte lijn vanaf de te meten aardelektrode, op voldoende afstand om onderlinge beïnvloeding van de elektrische velden te voorkomen.
- Stuur een bekende testroom tussen de te meten elektrode en de verste hulpelektrode.
- Meet de spanning tussen de te meten elektrode en de tussenliggende hulpelektrode; hieruit volgt de weerstand via de wet van Ohm.
- Herhaal de meting minimaal 3 keer met de tussenliggende hulpelektrode op verschillende posities.
- De metingen zijn betrouwbaar als ze onderling binnen circa 20% van elkaar liggen; het gemiddelde van deze metingen is de uiteindelijke RA-waarde.
Veelgemaakte fouten
- Hulpelektroden te dicht bij elkaar of bij de hoofdelektrode plaatsen — onvoldoende afstand laat de elektrische velden overlappen, wat een onbetrouwbare (vaak te lage) meetwaarde oplevert.
- Slechts één meting nemen in plaats van minimaal 3 posities te meten en te middelen — een enkele meting kan door lokale bodemvariatie afwijken van de werkelijke waarde.
- De theoretische rekenkundige grens (bijvoorbeeld 1667 Ω bij 30 mA) als praktische norm hanteren — de praktijkrichtwaarde van circa 200 Ω houdt rekening met seizoensschommelingen die de rekenkundige grens negeert.
- Aardingsweerstandsmeting verwarren met lusimpedantiemeting (Zs) — de ene meet specifiek de elektrode-naar-aarde-weerstand in een TT-stelsel, de andere meet de volledige foutstroomlus inclusief het net; het zijn verschillende metingen met een overlappend maar niet identiek doel.
Gerelateerd
Verder lezen
- PracticalMeetinstrumenten en CAT-categorieën — het juiste instrument voor de taak
- PracticalEen 3-fase motor veilig vervangen — restenergie, typeplaatje en Y/Δ
- PracticalPerilex, CEEform en draaiveld — aansluiting en fasevolgorde herkennen
- PracticalPt1000 3-draads aansluiting voor klimaatregeling
- PracticalTop 10 fouten in kasbedrading
- PracticalVerlengsnoeren & kabelhaspels — keuringscriteria