Stroombelastbaarheid van kabels in een betonnen mantelbuizenbank — waarom dit strenger is dan losse ondergrondse buizen
Stroombelastbaarheid van kabels in een betonnen mantelbuizenbank — waarom dit strenger is dan losse ondergrondse buizen
De gids over stroombelastbaarheid van ondergrondse kabels behandelt de standaardtabellen voor rechtstreeks in de grond gelegde kabels (methode D1) en kabels in een enkele ondergrondse buis (methode D2), met correctiefactoren voor bodemweerstand en groepering. Dit artikel behandelt een strenger geval: meerdere kabelbuizen die samen in een betonnen mantel zijn ingegoten — een mantelbuizenbank (ook wel "duct bank" genoemd) — zoals gebruikelijk bij kruisingen van wegen, kabeltracés onder gebouwen, of bij hoge-dichtheid-kabeltracés in industrieterreinen.
Waarom beton de warmteafvoer verandert
Een kabel in een losse ondergrondse buis (methode D2 uit de standaardtabellen) geeft zijn warmte af aan de omringende grond, met een beperkte thermische weerstand tussen buis en bodem. Bij een mantelbuizenbank ligt tussen de buis en de omringende grond echter een extra laag: het vulbeton, dat een eigen thermische weerstand heeft die afwijkt van de omringende bodem. Bovendien liggen de buizen in een bank dicht bij elkaar in een vast rooster (bijvoorbeeld 4×4 buizen), wat betekent dat de warmte van de centraal gelegen buizen niet rechtstreeks naar de omringende, koelere bodem kan stromen, maar eerst door de warmte van de naastgelegen buizen heen moet — met als gevolg dat de binnenste buizen structureel warmer worden dan de buitenste.
Het "hot-spot"-principe: niet alle buizen zijn gelijk
Bij de thermische berekening van een mantelbuizenbank volgens IEC 60287-2-1 wordt niet uitgegaan van één gemiddelde temperatuur voor de hele bank, maar wordt de kritieke, meest centrale buis (of buizen) als bepalend genomen voor de toelaatbare stroom van alle kabels in de bank:
- De buizen aan de buitenrand van de bank hebben een korter thermisch pad naar de omringende, koelere bodem en warmen minder op.
- De buizen in het midden van de bank zijn aan alle zijden omringd door andere, eveneens warmte-producerende buizen, en hebben daardoor het langste effectieve thermische pad naar de omringende bodem.
- Omdat alle kabels in de bank doorgaans dezelfde stroombelasting krijgen toegewezen (praktisch onvermijdelijk als de bank één gezamenlijk tracé vormt), bepaalt de temperatuur van de warmste, meest centrale buis de toelaatbare stroom voor de gehele bank — een eenvoudige optelling van individuele D2-buiswaarden zou deze onderlinge opwarming negeren en tot een te optimistische stroombelastbaarheid leiden.
Let op: de exacte rekenmethode (geometrische configuratie van de buizen, thermische weerstand van het gebruikte vulbeton, aantal belaste versus onbelaste/reserve-buizen) is aanmerkelijk complexer dan bij een enkele buis en vraagt om een specifieke IEC 60287-2-1-berekening of gespecialiseerde software — dit artikel geeft het onderliggende principe, geen kant-en-klare correctiefactor.
Reserve-/lege buizen tellen ook mee
Een veelgemaakte aanname is dat een lege, niet-belaste reservebuis in de bank geen invloed heeft op de berekening. Dat is onjuist: een lege buis neemt nog steeds ruimte in het thermische rooster in en beïnvloedt het thermische pad van de naastgelegen, wél belaste buizen — al draagt een lege buis zelf uiteraard geen warmte bij. Bij het ontwerpen van een mantelbuizenbank met bewust gereserveerde lege buizen voor toekomstige uitbreiding moet de thermische berekening daarom rekening houden met de definitieve, complete configuratie van de bank, niet alleen met de buizen die op dag één daadwerkelijk kabels bevatten.
Vulbeton: niet elk mengsel is gelijk
Standaard betonmengsels hebben een relatief hoge thermische weerstand vergeleken met sommige speciaal ontwikkelde, thermisch geleidende vulmengsels ("thermal backfill" of "controlled low-strength material" met verlaagde thermische weerstand) die specifiek voor kabelmantelbuizenbanken worden aangeboden. Het gebruik van een dergelijk thermisch geleidend mengsel in plaats van standaardbeton kan de toelaatbare stroom van de bank verhogen, maar dit vereist dat de daadwerkelijk toegepaste thermische weerstand van het mengsel — niet een aanname — in de berekening wordt gebruikt.
Praktische relevantie
Dit is met name relevant bij kabeltracés die een weg, spoorlijn of gebouwfundering kruisen, waarbij directe ondergrondse aanleg (methode D1) niet mogelijk is en een mantelbuizenbank de enige praktische oplossing is. Voor een tracé met meerdere circuits die samen door een dergelijke bank moeten, is het onvoldoende om de stroombelastbaarheid van een enkele ondergrondse buis (methode D2) simpelweg voor elke buis afzonderlijk te herhalen — een specifieke berekening voor de bank als geheel, met aandacht voor de centraal gelegen, warmste buizen, is nodig om overbelasting van de kabels in het midden van de bank te voorkomen.
Veelgemaakte fouten
- De standaard D2-tabelwaarde voor een enkele ondergrondse buis toepassen op elke buis in een mantelbuizenbank afzonderlijk, zonder rekening te houden met de onderlinge opwarming tussen de buizen in de bank.
- Alleen de buitenste buizen van de bank als representatief beschouwen voor de toelaatbare stroom van de hele bank, terwijl de binnenste, meest centrale buizen structureel warmer worden en dus bepalend zijn.
- Lege reservebuizen negeren in de thermische berekening — een lege buis draagt weliswaar geen warmte bij, maar beïnvloedt wel het thermische pad van de naastgelegen belaste buizen.
- De thermische weerstand van standaardbeton aannemen zonder verificatie, terwijl het daadwerkelijk toegepaste vulmengsel een afwijkende (hogere of, bij een speciaal thermisch mengsel, lagere) weerstand kan hebben.
Gerelateerd
Verder lezen
- IEC 60364-5-52 Bijlage B (D1/D2)Stroombelastbaarheid van ondergrondse kabels — bodemweerstand en groepering, los van de graafdiepte
- IEC 60364-5-52 Tab. B.52.21Kabels in thermische isolatie — stroombelastbaarheid volgens tabel B.52.21
- IEC 60364-5-52Omgevingstemperatuur-correctiefactor (Ca) voor kabelstroombelastbaarheid — waarom de basistabel al een specifieke temperatuur veronderstelt
- IEC 60287 / PraktijkTrefoil versus vlakke bundeling van driefasenkabels — magnetisch veld, mantelstromen en stroombelastbaarheid
- IEC 60364-5-52 Bijlage B (Cg)Groepsfactor Cg — waarom gebundelde kabels minder mogen dragen dan losse kabels
- IEC 60840 / Praktijk (kabeltrajecten)Cross-bonding van kabelscherm — waarom lange enkelader-hoogspanningskabels het scherm niet gewoon aan beide uiteinden aarden