⚡NEN-Hub
🔍
§411.3.2

Automatische uitschakeling van de voeding (AUV)

Beschikbaar in: en, nl, pl, ru, ua

Deze pagina is nog niet door een vakbekwaam persoon inhoudelijk gecontroleerd. Controleer altijd de geldende norm en je eigen aanwijzing; dit is geen vervanging van NEN 3140 of NEN 1010.

Fout gevonden? Meld het ons

Bijgewerkt: ≈ 4 min lezen

§411.3.2 — Automatische uitschakeling van de voeding (AUV)

Automatische uitschakeling van de voeding (AUV) is de meest gebruikte maatregel voor foutbescherming (voorheen "bescherming tegen indirecte aanraking"): als er door een isolatiefout een gevaarlijke spanning op een aanraakbaar geleidend deel kan komen, moet de voeding zo snel worden uitgeschakeld dat de aanraakspanning niet lang genoeg aanwezig is om gevaarlijk te zijn. Het is een aanvulling op de basisbescherming (isolatie, afscherming, zie de gids over IP2X) en werkt alleen samen met een goede aarding en hoofdvereffening.

Werkingsprincipe

Bij een isolatiefout tussen een actieve geleider en een geleidend deel met PE ontstaat een foutstroom door de foutlus: voedingsbron, fasegeleider, de fout zelf en de beschermingsgeleider (PE) terug naar de bron. Die stroom moet groot genoeg zijn om het beveiligingstoestel (zekering, MCB, RCD) binnen de toegestane uitschakeltijd te laten uitschakelen.

De kernformule: Zs × Ia ≤ U₀

Voor TN-stelsels is de voorwaarde:

Zs × Ia ≤ U₀

  • Zs = impedantie van de foutlus (bron + fasegeleider + PE-geleider), in ohm;
  • Ia = de stroom die het beveiligingstoestel binnen de vereiste tijd laat uitschakelen, in ampère;
  • U₀ = nominale spanning fase-aarde (230 V in het Nederlandse net).

Omgeschreven: Zs ≤ U₀ / Ia. Hoe lager de lusimpedantie, hoe groter de foutstroom en hoe sneller de beveiliging reageert.

Rekenvoorbeeld

Een eindgroep met een MCB B16 (U₀ = 230 V):

  • Een B-karakteristiek schakelt magnetisch uit tussen 3 en 5 × In. Rekenen met de bovengrens: Ia = 5 × 16 A = 80 A.
  • Zs ≤ 230 V / 80 A = 2,87 Ω.

Bij een MCB C16 (magnetisch 5 tot 10 × In, bovengrens 10 × 16 A = 160 A) is de grens Zs ≤ 230 / 160 ≈ 1,44 Ω. Een C-automaat vraagt dus een lagere lusimpedantie dan een B-automaat van dezelfde waarde. Bij zekeringen wordt Ia afgelezen uit de tijd-stroomkarakteristiek bij de vereiste uitschakeltijd.

Zs meten

De lusimpedantie wordt gemeten met een lusimpedantiemeter (installatietester), bij voorkeur zo ver mogelijk in de groep (bij het ongunstigste punt); zie de gids over lusimpedantiemeting (Zs). De meting vindt plaats bij omgevingstemperatuur, terwijl geleiders bij belasting warmer worden en dan een hogere weerstand hebben. Daarom wordt in de praktijk vaak een marge aangehouden: gemeten Zs ≤ 0,8 × de berekende of tabelwaarde.

Uitschakeltijden (Tabel 41.1)

SysteemU₀ ≤ 120 V120 < U₀ ≤ 230 V230 < U₀ ≤ 400 VU₀ > 400 V
TN0,8 s0,4 s0,2 s0,1 s
TT0,3 s0,2 s0,07 s0,04 s

Praktijk

  • Eindgroepen ≤ 32 A: zie tabel hierboven (bij 230 V in een TN-stelsel dus 0,4 s).
  • Distributiegroepen en vaste apparatuur > 32 A: max. 5 s (TN) of 1 s (TT).
  • Voor 30 mA RCD: uitschakeltijd ≤ 0,3 s bij 1×I∆n en ≤ 0,04 s bij 5×I∆n.
  • Bij een TT-stelsel is de voorwaarde anders geformuleerd (aardelektrodeweerstand × aanspreekstroom van de RCD ≤ 50 V); zie de gids over het TT-stelsel.
  • Bij een IT-stelsel geldt voor een tweede fout een eigen uitschakelvoorwaarde, zie IT-stelsel — tweede fout.

Veelgemaakte fouten

  1. Ia = In nemen in plaats van de werkelijke uitschakelstroom (magnetische drempel van de MCB of de waarde uit de zekeringkarakteristiek).
  2. Zs meten zonder rekening te houden met temperatuur en slechte verbindingen: een koude meting geeft een te rooskleurig beeld; een losse klem of oxidatie kan Zs bij belasting flink verhogen.
  3. Alleen Ze (externe lus) meten of Zs op de verkeerde plek (in de meterkast in plaats van bij het ongunstigste punt van de groep).
  4. Aannemen dat een RCD de Zs-controle vervangt in TN. Een 30 mA-RCD is aanvullende bescherming; de controle Zs × Ia ≤ U₀ blijft nodig, en een te hoge Zs wijst op een fysiek probleem (te lange of te dunne kabel, slechte verbinding) dat moet worden opgelost.
  5. Onderbroken of niet doorverbonden PE (bijvoorbeeld een ontbrekende beschermingsleiding naar een klasse I-armatuur): dan loopt er geen foutstroom en schakelt niets uit.

Gerelateerd

Verder lezen

Verwante termen