NEN-Hub
🔍
§543 (IEC 60364-5-54)

Beschermingsgeleider dimensioneren — de adiabatische formule versus de vereenvoudigde tabel

Beschikbaar in: en, nl, pl, ru, ua
Bijgewerkt: ≈ 4 min lezen

Beschermingsgeleider dimensioneren — de adiabatische formule versus de vereenvoudigde tabel

De pen-geleiderbreuk-tncs-gids behandelt wat er misgaat als de gecombineerde PEN-geleider in een TN-C-S-installatie breekt. Dit artikel gaat een stap terug: hoe wordt de doorsnede van een losse beschermingsgeleider (PE) — of van het PEN-gedeelte van de combinatiegeleider — eigenlijk bepaald, vóórdat er sprake is van een fout?

Twee toegestane rekenmethoden

IEC 60364-5-54 §543.1 staat twee methoden toe om de minimale doorsnede van een beschermingsgeleider te bepalen, en laat de installateur/ontwerper de keuze:

  1. De adiabatische formule (§543.1.2): S = √(I²t) / k, waarin I de effectieve foutstroom is die door de beschermingsgeleider vloeit bij een fout met verwaarloosbare impedantie, t de uitschakeltijd van de beveiliging, en k een materiaal-/isolatie-afhankelijke constante uit tabel A.54.2–A.54.6 van de norm. Deze methode berekent de doorsnede exact voor de specifieke installatie en beveiliging, en levert vaak een kleinere, nauwkeuriger onderbouwde doorsnede op dan de vereenvoudigde tabelmethode.
  2. De vereenvoudigde tabelmethode (§543.1.1, tabel 54.2): de PE-doorsnede wordt rechtstreeks afgeleid van de doorsnede van de fasegeleider S, zonder dat de werkelijke foutstroom of uitschakeltijd hoeft te worden berekend:
    • S ≤ 16 mm² (Cu): PE-doorsnede = S (gelijk aan de fasegeleider).
    • 16 mm² < S ≤ 35 mm²: PE-doorsnede = 16 mm² (vast).
    • S > 35 mm²: PE-doorsnede = S/2 (de helft van de fasegeleiderdoorsnede).

Let op: dit zijn twee gelijkwaardige, maar niet uitwisselbare methoden — je kiest er één voor een gegeven circuit en berekent volledig volgens die methode. De vereenvoudigde tabelmethode is sneller maar leidt vaak tot een ruimere (grotere) PE-doorsnede dan strikt nodig, omdat ze geen rekening houdt met de werkelijke uitschakeltijd van de specifieke beveiliging.

De ondergrenzen die altijd gelden

Onafhankelijk van welke methode is gebruikt, gelden minimumdoorsneden die niet onderschreden mogen worden:

  • Een losse PE-geleider die géén deel uitmaakt van dezelfde kabel of omhulling als de fasegeleiders, moet ten minste 2,5 mm² Cu zijn indien mechanisch beschermd, of 4 mm² Cu indien niet mechanisch beschermd.
  • Een aardingsleiding die is aangesloten op een bliksembeveiligingssysteem (zie de bliksembeveiliging-kassen-gids voor de kassentoepassing) moet ten minste 16 mm² Cu zijn, ongeacht de uitkomst van de adiabatische of tabelmethode voor de reguliere installatiebeveiliging.

Waarom dit los staat van de kabeldoorsnede-stroombelastbaarheid

De kabeldoorsnede-stroombelastbaarheid-gids bepaalt de doorsnede van de fasegeleiders op basis van de normale bedrijfsstroom, omgevingstemperatuur en bundelingscorrectie (f2). De beschermingsgeleider wordt niet op dezelfde manier gedimensioneerd: hij voert normaliter geen stroom, en zijn doorsnede wordt uitsluitend bepaald door het vermogen om een kortstondige foutstroom te verdragen totdat de beveiliging uitschakelt, zonder dat de geleider zelf beschadigd raakt (thermische grens, geen belastbaarheidsgrens). Een correct op stroombelastbaarheid gedimensioneerde fasegeleider zegt dus niets over de vereiste PE-doorsnede — dat is een aparte berekening.

Praktische relevantie

Bij het ontwerpen van een groep of hoofdleiding moet expliciet worden vastgesteld welke van de twee methoden wordt gebruikt voor de PE-doorsnede, en moet die keuze consistent worden toegepast en gedocumenteerd — een installatie die de tabelmethode voor het ene circuit en de adiabatische formule voor het andere gebruikt zonder onderbouwing, is voor een keurmeester lastig te herleiden op correctheid.

Veelgemaakte fouten

  1. De S/2-regel toepassen op elke doorsnede, ook onder 35 mm² — de S/2-regel geldt alleen boven 35 mm²; bij 16–35 mm² is de PE-doorsnede vast 16 mm², en onder 16 mm² gelijk aan de fasegeleider.
  2. De adiabatische formule gebruiken met een verkeerde k-waarde — de constante k verschilt per geleidermateriaal (koper/aluminium) én per isolatiemateriaal en installatiewijze; een verkeerde tabelkeuze geeft een onderschatte of overschatte minimumdoorsnede.
  3. Vergeten dat de 16mm²-ondergrens voor bliksembeveiligingsaardingen losstaat van de reguliere PE-berekening — een installatie kan een correct berekende, kleinere PE-doorsnede voor de normale beveiliging hebben én toch een aparte, zwaardere aardingsleiding nodig hebben waar een bliksembeveiligingssysteem op is aangesloten.

Gerelateerd

Verder lezen

Verwante termen
Beschermingsgeleider dimensioneren — de adiabatische formule versus de vereenvoudigde tabel · NEN-Hub