NEN-Hub
🔍
§411.6

IT-stelsel — uitschakeling bij een tweede fout (§411.6)

Beschikbaar in: en, nl, pl, ru, ua
Bijgewerkt: ≈ 4 min lezen

IT-stelsel — uitschakeling bij een tweede fout (§411.6)

De gids over IT-stelsel en isolatiebewaking (IMD) behandelt hoe een eerste isolatiefout in een IT-stelsel wordt gesignaleerd zonder de installatie uit te schakelen, en noemt kwalitatief waarom een tweede fout wél gevaarlijk wordt. Dit artikel gaat een stap dieper: wat §411.6 van de norm concreet eist zodra die tweede fout optreedt, en waarom de daadwerkelijke foutlus — en dus de vereiste uitschakeltijd — afhangt van of de nulleider in het IT-stelsel is uitgevoerd en meeverbonden of niet.

Het principe: een eerste fout mag blijven bestaan, een tweede niet

Zoals de IMD-gids beschrijft, mag een IT-stelsel na een eerste isolatiefout gewoon in bedrijf blijven — er is geen laag-impedante retourpad naar aarde, dus geen gevaarlijke aanraakspanning. Zodra echter een tweede fout optreedt op een andere actieve geleider, terwijl de eerste fout nog niet is verholpen, ontstaat er via aarde een foutlus tussen de twee foutlocaties die qua gevaar vergelijkbaar is met een directe fout in een TN-stelsel. §411.6 eist daarom dat deze situatie alsnog leidt tot automatische uitschakeling, op vergelijkbare wijze als bij TN of TT, maar met een foutlusberekening die specifiek is voor het IT-stelsel.

Nulleider niet uitgevoerd: de foutlus loopt via twee fasegeleiders

Is in het IT-stelsel geen nulleider uitgevoerd (het meest voorkomende geval bij een drie-fasen IT-installatie zonder gebruikersbelasting op fase-nul), dan loopt de foutlus bij een tweede fout tussen twee fasegeleiders: de fase met de eerste fout en de fase met de tweede fout, via de onderling verbonden beschermingsgeleiders van beide foutlocaties. Over deze foutlus staat daarom niet de fasespanning (U₀) zoals bij een TN-fout, maar de volledige lijnspanning (U, doorgaans 400 V) — een hogere spanning die, bij gelijke lusimpedantie, tot een grotere foutstroom leidt dan een equivalente TN-fout bij dezelfde spanning zou geven.

Nulleider wél uitgevoerd: voorwaarden dichter bij TN

Is de nulleider in het IT-stelsel wel uitgevoerd en meeverbonden met de beschermingsgeleider, dan kan een tweede fout ook optreden tussen een fase en de nulleider. In die configuratie gelden voorwaarden die dichter aansluiten bij de reguliere TN-voorwaarden (foutlus met fasespanning U₀), afhankelijk van de precieze positie van beide foutlocaties ten opzichte van elkaar en van de nulleider.

Let op: de exacte uitschakeltijden voor de tweede-foutconditie staan in een aparte tabel in de volledige norm (naast de bekende tabel voor TN/TT bij een eerste fout) en verschillen per situatie (nulleider wel/niet uitgevoerd, beschermingsgeleiders wel/niet gemeenschappelijk geaard). Raadpleeg bij een concreet ontwerp altijd de volledige normtekst voor de precieze tabelwaarden.

Praktische relevantie

Bij het ontwerpen of beoordelen van een IT-stelsel — bijvoorbeeld in een operatiekamer (medisch IT-stelsel) of een continu proces in de industrie — moet niet alleen de eerstefoutdetectie via een IMD worden gecontroleerd (zie de IMD-gids), maar ook of de reguliere overstroom- of aardlekbeveiliging daadwerkelijk binnen de vereiste tijd uitschakelt zodra een tweede fout optreedt. Dit vergt een aparte foutlusberekening, die afhankelijk is van de nulleiderconfiguratie van het specifieke IT-stelsel.

Veelgemaakte fouten

  1. Alleen de IMD-werking controleren en de tweede-foutcondition van §411.6 niet apart beoordelen — de IMD signaleert de eerste fout, maar de daadwerkelijke veiligheid bij een tweede fout hangt af van de reguliere overstroom-/aardlekbeveiliging en de bijbehorende foutlusimpedantie.
  2. Bij het berekenen van de foutlusimpedantie de fasespanning (U₀) gebruiken in plaats van de lijnspanning (U) bij een IT-stelsel zonder uitgevoerde nulleider — de tweede fout loopt dan immers tussen twee fasegeleiders, niet tussen fase en nul.
  3. Ervan uitgaan dat een IT-stelsel per definitie een lagere uitschakeleis heeft dan TN/TT — de tweede-foutconditie kan juist een hogere lijnspanning over de foutlus opleveren, wat een lagere lusimpedantie (en dus een zorgvuldiger ontwerp) vereist om binnen de toegestane tijd uit te schakelen.
  4. Een eerste fout lang laten bestaan omdat de installatie toch nog werkt — hoe langer de eerste fout onopgelost blijft, hoe langer de periode waarin een tweede fout tot deze uitschakeling (en dus bedrijfsonderbreking) kan leiden.

Gerelateerd

Verder lezen

Verwante termen