NEN-Hub
🔍
NEN-EN 50160

Spanningsdips en onderbrekingen (NEN-EN 50160) — classificatie en het verschil met flikker

Beschikbaar in: en, nl, pl, ru, ua
Bijgewerkt: ≈ 4 min lezen

Spanningsdips en onderbrekingen (NEN-EN 50160) — classificatie en het verschil met flikker

De gids over flikker/spanningsfluctuaties behandelt de langetermijn-flikkerhinder Plt (NEN-EN 50160), en de gids over harmonischen & THD behandelt de THD-grenswaarde uit de Netcode Elektriciteit. Dit artikel behandelt een derde, apart geclassificeerd type spanningsverschijnsel uit dezelfde norm: de kortstondige spanningsdip en de onderbreking — twee begrippen die in de praktijk vaak door elkaar worden gebruikt, maar in NEN-EN 50160 een precieze, van elkaar afgebakende definitie hebben.

De definitie van een spanningsdip

NEN-EN 50160 definieert een spanningsdip als een plotselinge daling van de effectieve (RMS) spanning tot een waarde tussen 90% en 1% van de nominale spanning (Un), gevolgd door herstel van de spanning na een korte periode. De norm hanteert hiervoor twee grenzen:

  • de dip begint zodra de RMS-spanning onder de 90%-drempel van Un zakt;
  • de dip duurt van 10 ms tot en met 1 minuut.

Zodra de resterende spanning tijdens de gebeurtenis onder 1% van Un zakt, wordt de gebeurtenis niet langer als dip maar als onderbreking geclassificeerd — de 1%-grens is de scheidslijn tussen "de spanning zakte sterk weg" en "de spanning viel feitelijk weg".

Korte versus lange onderbreking

Een onderbreking (spanning <1% Un) wordt op zijn beurt onderverdeeld naar duur:

  • korte onderbreking: tot en met 3 minuten;
  • lange onderbreking: langer dan 3 minuten.

Deze 3-minutengrens is relevant omdat een korte onderbreking meestal het gevolg is van een automatische heraansluitpoging van een beveiliging in het net (bijvoorbeeld na een tijdelijke fout die door zelfherstel van het net wordt opgelost), terwijl een lange onderbreking doorgaans een handmatig ingrijpen van de netbeheerder vereist.

Waarom hier geen vaste compliance-grens voor bestaat, in tegenstelling tot THD en flikker

De THD-grens uit de Netcode Elektriciteit en de Plt-grens van 1 uit de flikker-gids zijn beide uitgedrukt als een waarde die gedurende 95% van een meetweek niet mag worden overschreden — een statistisch reproduceerbare grens voor een continu, stationair verschijnsel. Spanningsdips en onderbrekingen zijn echter stochastische, lokaal bepaalde gebeurtenissen (bliksem, een boomtak op een bovengrondse lijn, een schakelhandeling elders in het net): NEN-EN 50160 geeft daarom voor dips en onderbrekingen geen vaste maximumgrens die de netbeheerder moet garanderen, maar uitsluitend informatieve, typische jaarwaarden — de norm erkent dat het aantal en de ernst van dips sterk verschilt per locatie (bijvoorbeeld een plattelandsnet met bovengrondse lijnen versus een verstedelijkt ondergronds net) en niet centraal is af te dwingen zoals THD dat wel is.

De ITIC/CBEMA-curve: apparatuurgevoeligheid, geen netnorm

Om te beoordelen of een spanningsdip van een gegeven diepte en duur problemen geeft voor gevoelige apparatuur (procesbesturing, servers, PLC's), wordt in de praktijk vaak de ITIC-curve (voorheen CBEMA-curve) gebruikt — een grafiek van het Amerikaanse Information Technology Industry Council die het gebied uitzet waarbinnen informatietechnologie-apparatuur een spanningsafwijking (in % van Un, uitgezet tegen duur) hoort te verdragen zonder uit te vallen. Het is geen Europese netnorm en geen onderdeel van NEN-EN 50160 zelf, maar een industrierichtlijn die wordt gebruikt om te beoordelen of de dips die een net daadwerkelijk levert binnen de immuniteit van de aangesloten apparatuur vallen — twee verschillende dingen die vaak worden verward.

Praktische relevantie

Bij een klacht over apparatuur die uitvalt bij "een kleine spanningsdip" terwijl de netbeheerder meldt dat NEN-EN 50160 niet is overtreden, is dat geen tegenstrijdigheid: de norm geeft immers geen vaste maximumgrens voor dips. De vervolgvraag is dan of de apparatuur zelf voldoende dip-immuniteit heeft (bijvoorbeeld te toetsen aan de ITIC-curve of de fabrieksspecificatie), en of aanvullende voorzieningen (UPS, dynamische spanningsregelaar) nodig zijn — zie ook de gids over UPS-batterijtypen voor overbrugging bij langere onderbrekingen.

Veelgemaakte fouten

  1. Een dip en een onderbreking als hetzelfde verschijnsel behandelen — het onderscheid ligt bij een resterende spanning van 1% Un: daarboven is het een dip, daaronder een onderbreking.
  2. Verwachten dat NEN-EN 50160 een harde maximumgrens stelt aan het aantal of de diepte van dips, zoals bij THD of flikker — voor dips en onderbrekingen geeft de norm alleen informatieve, typische jaarwaarden.
  3. De ITIC/CBEMA-curve aanzien voor een Europese netnorm — het is een Amerikaanse industrierichtlijn voor apparatuurgevoeligheid, geen onderdeel van NEN-EN 50160.
  4. Een korte onderbreking (≤3 min, vaak een automatische heraansluitpoging) verwarren met een lange onderbreking die meestal pas na handmatig ingrijpen van de netbeheerder eindigt.

Gerelateerd

Verder lezen

Verwante termen
Spanningsdips en onderbrekingen (NEN-EN 50160) — classificatie en het verschil met flikker · NEN-Hub