NEN-Hub
🔍
NEN-EN 50160

Spanningsonbalans in driefasige netten — NEN-EN 50160

Beschikbaar in: en, nl, pl, ru, ua
Bijgewerkt: ≈ 3 min lezen

Spanningsonbalans in driefasige netten — NEN-EN 50160

Een teeltbedrijf met een mix van grote driefasige aandrijvingen (ventilatoren, pompen) en veel eenfasige belasting (verlichting, kleine apparatuur, laadpalen) op dezelfde aansluiting kan te maken krijgen met spanningsonbalans: de drie fasespanningen zijn niet meer gelijk in amplitude en/of exact 120° in fase verschoven. NEN-EN 50160 ("Spanningskarakteristieken van elektriciteit geleverd door openbare elektriciteitsnetten") stelt hieraan een kwaliteitsgrens.

Wat spanningsonbalans is en hoe het wordt uitgedrukt

Onbalans wordt uitgedrukt als de verhouding tussen de negatieve-sequentiecomponent en de positieve-sequentiecomponent van de spanning (symmetrische-componentenontleding). Bij een perfect gebalanceerd driefasesysteem is deze verhouding 0%; hoe groter de asymmetrie tussen de fasen, hoe hoger het percentage.

De norm-eis

NEN-EN 50160 stelt dat bij normale bedrijfsomstandigheden de negatieve-sequentiecomponent van de voedingsspanning gedurende 95% van een week (gemeten als 10-minuten-gemiddelden) niet meer dan 2% van de positieve-sequentiecomponent mag bedragen. In netten met een substantieel aandeel eenfasig of tweefasig aangesloten belasting kan deze grens oplopen tot 3%.

Oorzaken

  • Ongelijke verdeling van eenfasige belasting over de drie fasen (veelvoorkomend bij verlichtingsgroepen, laadpalen, kleine eenfasige aandrijvingen).
  • Asymmetrische netimpedantie tussen de fasen, bijvoorbeeld door ongelijke kabellengtes of -doorsneden.
  • Storingen of onderbrekingen op één fase van het net.

Gevolgen voor driefasige aandrijvingen

Draaistroommotoren zijn gevoelig voor spanningsonbalans: een relatief kleine spanningsonbalans (bijvoorbeeld enkele procenten) kan een veel grotere stroomonbalans veroorzaken in de statorwikkelingen, wat resulteert in extra warmteontwikkeling en versnelde veroudering van de motorisolatie. Dit maakt onbalans in de praktijk vooral relevant voor bedrijven met grote driefasige ventilator- of pompaandrijvingen.

Let op: de exacte verhouding tussen spanningsonbalans en stroomonbalans/motoropwarming hangt af van het motorontwerp — reken dit per situatie na aan de hand van de motorspecificaties, ga niet uit van een vaste vuistregel.

Wie hierop toeziet

De netbeheerder is verantwoordelijk voor het bewaken van de spanningskwaliteit conform NEN-EN 50160 op het leveringspunt. Een installatie-eigenaar die zelf onbalans introduceert (bijvoorbeeld door scheve eenfasige belastingverdeling binnen de eigen installatie) kan echter zelf bijdragen aan een lokaal probleem, ook als de netbeheerder op het aansluitpunt binnen de norm blijft.

Veelgemaakte fouten

  1. Eenfasige belasting willekeurig verdelen over de drie groepen zonder rekening te houden met balans — bij uitbreiding van installaties (nieuwe laadpalen, verlichting) neemt de kans op onbalans toe als dit niet bewust wordt gemanaged.
  2. Onbalansklachten (oververhitte motoren, trillingen) meteen aan de motor zelf toeschrijven zonder de spanningsbalans op de aansluiting te meten — de oorzaak kan buiten de motor liggen.
  3. De 2%-grens verwarren met een absolute garantie tegen motorproblemen — zelfs binnen de norm-grens kan onbalans op termijn bijdragen aan versnelde motorslijtage bij continu zwaar belaste aandrijvingen.

Gerelateerd

Verder lezen

Verwante termen