Vermogensclassificatie van noodstroomaggregaten — ESP, PRP, LTP en COP volgens ISO 8528-1
Vermogensclassificatie van noodstroomaggregaten — ESP, PRP, LTP en COP volgens ISO 8528-1
De gids over de belastingtest van een noodstroomaggregaat behandelt hoe een aggregaat onder gesimuleerde belasting wordt getest, maar gaat niet in op de vraag tegen welk vermogen dat aggregaat eigenlijk getest zou moeten worden. Die vraag wordt beantwoord door ISO 8528-1, die aan generatorsets voor verbrandingsmotoren niet één, maar vier verschillende vermogensklassen toekent — elk met een eigen combinatie van toegestane overbelasting, bedrijfsurenlimiet en gemiddelde belastingsfactor, afgestemd op een specifieke toepassing.
De vier vermogensklassen
| Klasse | Volledige naam | Bedrijfsuren per jaar | Gemiddelde belasting | Overbelasting toegestaan |
|---|---|---|---|---|
| ESP | Emergency Standby Power | ≤200 uur/jaar | ~70% van ESP-vermogen | Geen overbelasting toegestaan |
| PRP | Prime Power | Onbeperkt | ~70% van PRP-vermogen (24 uur) | 10% overbelasting toegestaan gedurende 1 uur per 12 bedrijfsuren |
| LTP | Limited-Time Running Power | ≤500 uur/jaar | 100% van LTP-vermogen | Geen overbelasting toegestaan |
| COP | Continuous Power | Onbeperkt | Continu 70-100% van COP-vermogen | Geen overbelasting toegestaan |
Ditzelfde fysieke aggregaat kan, afhankelijk van welke vermogensklasse wordt gehanteerd, dus meerdere vermogenswaarden op het kenplaatje hebben — een aggregaat dat als ESP een bepaald kVA-vermogen haalt, levert doorgaans een lager vermogen wanneer het als PRP of COP wordt ingezet, omdat die klassen een structureel hogere belasting over een langere levensduur vergen.
ESP — noodstroom voor onderbrekingen van het net
ESP is bedoeld voor toepassingen waarbij het aggregaat alleen inspringt bij een netuitval, met een sterk beperkt aantal bedrijfsuren per jaar (doorgaans ≤200 uur) en zonder dat enige overbelasting wordt toegestaan. Dit is de klasse die van toepassing is op de meeste noodstroomvoorzieningen in gebouwinstallaties die onder NEN 1010 vallen — het aggregaat draait vrijwel uitsluitend tijdens daadwerkelijke netuitval en periodieke belastingtests.
PRP — primair vermogen zonder nutsnet als achtervang
PRP is bedoeld voor toepassingen waarbij het aggregaat de enige stroombron is, zonder nutsnet als achtervang, met een variabele belasting en een onbeperkt aantal bedrijfsuren per jaar. Een gemiddelde belastingsfactor van circa 70% over 24 bedrijfsuren wordt verondersteld, met een toegestane overbelasting van 10% gedurende maximaal 1 uur per 12 bedrijfsuren om belastingpieken op te vangen.
LTP — beperkte tijd op vol vermogen
LTP is bedoeld voor een aggregaat dat gedurende een beperkt aantal bedrijfsuren per jaar (doorgaans ≤500 uur) continu op 100% van het opgegeven vermogen kan draaien, zonder de mogelijkheid tot verdere overbelasting — vaak toegepast bij tijdelijke of piekvermogen- toepassingen waarbij een hoger constant vermogen nodig is dan bij ESP, maar niet de onbeperkte levensduurbelasting van PRP of COP.
COP — continu vermogen als permanente stroombron
COP is bedoeld voor toepassingen waarbij het aggregaat continu, met een constante belasting tussen 70% en 100% van het opgegeven vermogen, onbeperkt in bedrijf is — de zwaarste klasse qua levensduurbelasting, toegepast bij permanente elektriciteitsopwekking zonder netaansluiting.
Waarom de klassekeuze ertoe doet
Een aggregaat dat volgens de ESP-klasse is gedimensioneerd maar in de praktijk als PRP wordt ingezet — bijvoorbeeld bij een langdurige netstoring waarbij het aggregaat wekenlang de enige stroombron vormt — draait structureel zwaarder belast dan waarvoor het is gespecificeerd, met een verhoogd risico op voortijdige slijtage van motor en generator. Omgekeerd leidt het overdimensioneren van een aggregaat op basis van de COP-klasse voor een toepassing die feitelijk ESP is, tot onnodige investerings- en brandstofkosten.
Praktische relevantie
Bij het selecteren of beoordelen van een noodstroomaggregaat is het relevant te controleren welke ISO 8528-1-vermogensklasse op het kenplaatje en in de opgave van de leverancier is vermeld, en of die klasse daadwerkelijk overeenkomt met het beoogde gebruikspatroon — inclusief het te verwachten aantal bedrijfsuren per jaar en de vraag of het aggregaat de enige stroombron is of een achtervang op het nutsnet.
Veelgemaakte fouten
- Het ESP-vermogen aanhouden voor een toepassing die feitelijk PRP of COP is — een langdurige netstoring waarbij het aggregaat als enige stroombron fungeert, kan de ESP-belastinglimiet ver overschrijden.
- Vermogenswaarden van verschillende klassen met elkaar vergelijken zonder te corrigeren voor het klasseverschil — het ESP-vermogen van een aggregaat is doorgaans hoger dan het PRP- of COP-vermogen van hetzelfde fysieke aggregaat.
- De toegestane overbelasting van PRP verwarren met een permanente vermogensreserve — de 10%-overbelasting geldt uitdrukkelijk voor maximaal 1 uur per 12 bedrijfsuren, niet voor continu gebruik.
- Geen rekening houden met de bedrijfsurenlimiet van ESP (≤200 uur/jaar) of LTP (≤500 uur/jaar) bij een toepassing waarbij het aggregaat frequenter dan verwacht in bedrijf komt, bijvoorbeeld door regelmatige, langdurige netonderbrekingen.
Gerelateerd
Verder lezen
- §551 (stapbelasting)Noodstroomaggregaat stapbelasting — load acceptance en prestatieklassen ISO 8528-5
- §551 / IEC 60364-5-55Kortsluitvermogen van een noodstroomaggregaat — waarom beveiligingen bij generatorbedrijf anders kunnen reageren
- §551Noodstroomaggregaten & laagspanningsopwekking — §551
- §551Noodstroomaggregaat testdraaien — load-bank-test en "wet stacking"
- IEC 60664-1Overspanningscategorieën CAT I-IV (IEC 60664) — niet te verwarren met de CAT-classificatie van meetinstrumenten
- §512.2 / IEC 60364-5-51Uitwendige invloeden (§512.2) — de AA/AD/AE/BA/BC-classificatiecodes