Skin-effect en nabijheidseffect bij grote kabeldoorsneden — waarom AC-weerstand hoger is dan DC-weerstand
Skin-effect en nabijheidseffect bij grote kabeldoorsneden — waarom AC-weerstand hoger is dan DC-weerstand
De gids over kabelweerstand en reactantie bij spanningsvalberekening
behandelt de resistieve en inductieve termen R en X in de
spanningsvalformule. Dit artikel gaat dieper in op een detail dat pas bij
grotere kabeldoorsneden relevant wordt: waarom de werkelijke
wisselstroomweerstand van een geleider hoger is dan zijn
gelijkstroomweerstand, en waarom dit verschil met de doorsnede toeneemt.
Skin-effect: stroomverdringing naar de buitenkant
Bij gelijkstroom verdeelt de stroom zich gelijkmatig over de gehele doorsnede van een geleider. Bij wisselstroom induceert het eigen, tijdsvariërende magnetische veld van de geleider echter wervelstromen die de stroomdichtheid in het centrum tegenwerken en naar de buitenrand versterken — het skin-effect. Het gevolg is dat de stroom zich concentreert in een dunnere laag nabij het oppervlak, waardoor de effectieve doorsnede waardoor de stroom loopt kleiner is dan de geometrische doorsnede, en de wisselstroomweerstand daardoor hoger uitvalt dan de gelijkstroomweerstand. Dit effect wordt sterker naarmate de diameter van de geleider toeneemt en naarmate de frequentie hoger is.
Nabijheidseffect: extra verdringing door naburige geleiders
Wanneer meerdere stroomvoerende geleiders dicht bij elkaar liggen — zoals de drie fasen van een driefasenkabel, of meerdere kabels naast elkaar in een kabelgoot — beïnvloedt het magnetische veld van elke geleider ook de stroomverdeling in de naburige geleiders. Dit nabijheidseffect verschuift de stroomdichtheid binnen elke geleider extra naar de zijde die van de buurgeleider is afgekeerd (of, afhankelijk van de stroomrichting, juist naar de zijde die ernaar toe is gekeerd), wat de effectieve wisselstroomweerstand verder verhoogt bovenop het skin-effect alleen.
Hoe IEC 60287-1-1 dit verrekent
IEC 60287-1-1 (de norm voor de berekening van de
stroombelastbaarheid van kabels) drukt de wisselstroomweerstand van een
geleider uit als de gelijkstroomweerstand, verhoogd met een skin-effect-
factor ys en een nabijheidseffect-factor yp:
R(AC) = R(DC) × (1 + ys + yp)
Beide factoren zijn functies van de geleiderdoorsnede, de opbouw van de
geleider (massief versus gestrengeld/samengeperst) en de frequentie, en
worden in de norm via afgeleide parameters (xs, xp) berekend.
Waarom dit vooral bij grote doorsneden merkbaar wordt
Bij kleine kabeldoorsneden (in de orde van enkele tientallen mm²) is de diameter van de geleider klein ten opzichte van de zogeheten skin-diepte bij 50 Hz, waardoor skin- en nabijheidseffect verwaarloosbaar klein blijven en de wisselstroomweerstand nauwelijks afwijkt van de gelijkstroomweerstand. Naarmate de doorsnede toeneemt — met name vanaf een kabeldoorsnede van ruwweg enkele honderden mm² — wordt de diameter groot genoeg ten opzichte van de skin-diepte dat de effecten merkbaar worden: de wisselstroomweerstand kan dan meerdere procenten tot enkele tientallen procenten hoger uitvallen dan de gelijkstroomweerstand van diezelfde geleider.
Let op: de exacte drempelwaarde waarboven skin- en nabijheidseffect significant worden, hangt af van geleidermateriaal, -opbouw en frequentie; voor een nauwkeurige berekening bij een specifieke kabeldoorsnede gelden de formules en parameters uit IEC 60287-1-1 of de opgave van de kabelfabrikant.
Waarom grote vermogens vaak over meerdere parallelle geleiders lopen
Omdat skin- en nabijheidseffect toenemen met de geleiderdiameter, is één zeer grote geleider per fase voor een groot vermogen niet per se de meest efficiënte oplossing: de wisselstroomweerstand van die ene grote geleider ligt verhoudingsgewijs hoger dan wanneer hetzelfde doorsnede-oppervlak wordt verdeeld over meerdere, dunnere geleiders in parallel per fase. Zolang aan de voorwaarden voor gelijke stroomverdeling tussen de parallelle geleiders wordt voldaan (zie de gids over parallelle kabels — gelijke lengte, gelijke doorsnede, gelijke route), blijft de gecombineerde wisselstroomweerstand van meerdere kleinere, parallel geschakelde geleiders doorgaans lager dan die van één enkele grote geleider met dezelfde totale doorsnede.
Praktische relevantie
Bij het dimensioneren van een voedingskabel voor een groot vermogen — bijvoorbeeld een hoofdkabel naar een grootverbruikaansluiting of een laadplein — is het bij doorsneden vanaf enkele honderden mm² niet meer voldoende om alleen met de gelijkstroomweerstand te rekenen: zowel de stroombelastbaarheid (via de verhoogde wisselstroomweerstand, die tot extra warmteontwikkeling leidt) als de spanningsval kunnen anders uitvallen dan een DC-gebaseerde berekening suggereert. Het splitsen van zo'n voeding over meerdere parallelle, kleinere geleiders per fase is dan zowel vanuit weerstands- als vanuit hanteerbaarheids- en buigstraaloverwegingen vaak de praktischere keuze.
Veelgemaakte fouten
- De gelijkstroomweerstand van een grote geleider gebruiken voor een wisselstroomberekening zonder de skin- en nabijheidseffect-correctie toe te passen — dit onderschat zowel de weerstand als de resulterende warmteontwikkeling en spanningsval.
- Aannemen dat skin-effect bij elke kabeldoorsnede verwaarloosbaar is omdat dit bij kleine, veelgebruikte installatiedoorsneden inderdaad het geval is — bij grote doorsneden geldt die aanname niet meer.
- Eén zeer grote geleider kiezen voor een groot vermogen zonder de optie van meerdere parallelle, kleinere geleiders per fase te overwegen, terwijl die laatste optie vanwege skin- en nabijheidseffect vaak een lagere effectieve wisselstroomweerstand geeft.
- Het nabijheidseffect vergeten bij een berekening die alleen het skin-effect van een geleider in isolatie meeneemt, terwijl meerdere geleiders dicht bij elkaar in dezelfde kabelgoot of mof liggen.
Gerelateerd
Verder lezen
- IEC 60865-1Elektrodynamische krachten bij kortsluiting op stroomrails en kabels (IEC 60865-1) — waarom steunafstand net zo belangrijk is als doorsnede
- IEC 60364-5-52 Bijlage B (Cg)Groepsfactor Cg — waarom gebundelde kabels minder mogen dragen dan losse kabels
- IEC 60364-5-52 Bijlage B (D1/D2)Stroombelastbaarheid van ondergrondse kabels — bodemweerstand en groepering, los van de graafdiepte
- NEN 1010 §526Aluminium en koper verbinden — bimetaalcorrosie en waarom de doorsnede niet 1-op-1 overgaat
- §521.5 (IEC 60364-5-52)Enkelader-kabels door een stalen doorvoerplaat — waarom alle geleiders van één groep samen door hetzelfde gat moeten
- NEN 6069 / IEC 60331 / EN 50200Functiebehoudkabel — waarom E30/E60/E90 op een kabel iets anders betekent dan diezelfde klasse op een doorvoerafdichting