NEN-Hub
🔍
IEC 61537 / NEN 1010 §543

Aarding en potentiaalvereffening van metalen kabeldraagsystemen — bonding versus gebruik als beschermingsgeleider

Beschikbaar in: en, nl, pl, ru, ua
Bijgewerkt: ≈ 4 min lezen

Aarding en potentiaalvereffening van metalen kabeldraagsystemen — bonding versus gebruik als beschermingsgeleider

De gids over kabeldraagsystemen behandelt de mechanische eisen van NEN-EN-IEC 61537 aan kabelgoten en kabelladders: draagvermogen, doorbuiging en materiaalclassificatie. Dit artikel behandelt een ander aspect van diezelfde norm dat in de praktijk vaak wordt onderschat: de elektrische continuïteit tussen de afzonderlijke secties van een metalen draagsysteem, en het onderscheid tussen twee verschillende, vaak verwarde toepassingen daarvan.

Twee verschillende vragen

Bij een metalen kabelgoot of -ladder die uit meerdere, aan elkaar gekoppelde secties bestaat, moeten in feite twee losstaande vragen worden beantwoord:

  1. Moet het draagsysteem zelf potentiaalvereffend worden verbonden? Een metalen draagsysteem dat over een groot deel van een gebouw loopt, is een vreemd geleidend deel dat, als het niet is vereffend, een ander potentiaal kan aannemen dan de omgeving — bijvoorbeeld door inductie vanuit de erop liggende kabels, door toevallig contact met een spanningvoerend onderdeel, of door een statische lading. Potentiaalvereffening (bonding) voorkomt dat een aanraakbaar, geleidend voorwerp een gevaarlijk potentiaalverschil ten opzichte van zijn omgeving kan opbouwen.
  2. Mag het draagsysteem worden gebruikt als beschermingsgeleider (PE) voor de erop liggende circuits? Dit is een fundamenteel verdergaande toepassing: het draagsysteem wordt dan zelf onderdeel van het foutstroompad dat bij een aardfout de uitschakeling van de beveiliging moet verzorgen, en moet dus voldoen aan de doorsnede-eisen voor een beschermingsgeleider — niet alleen aan een continuïteitseis voor potentiaalvereffening.

Deze twee toepassingen worden in de praktijk regelmatig door elkaar gehaald: een draagsysteem dat correct is vereffend voor de eerste toepassing is daarmee niet automatisch geschikt of goedgekeurd als beschermingsgeleider voor de tweede toepassing.

De continuïteitseis uit IEC 61537

IEC 61537 stelt een concrete grenswaarde aan de elektrische continuïteit van het draagsysteem zelf: de overgangsweerstand over een koppeling (verbinding tussen twee secties) mag niet meer bedragen dan 50 mΩ, en de weerstand van het materiaal van het draagsysteem zelf niet meer dan 5 mΩ per meter, exclusief de koppelingen. Deze grenswaarden zijn bedoeld om aan te tonen dat het systeem geschikt is als onderdeel van een potentiaalvereffeningscircuit — niet dat elke constructie automatisch aan de veel strengere eisen voor een beschermingsgeleider volgens NEN 1010 §543 voldoet.

Waarom een geschilderde of poedercoated verbinding een risico vormt

Veel kabelgoten en -ladders zijn om corrosieredenen thermisch verzinkt of poedergecoat. Een niet-geleidende poedercoating op het koppelingsvlak tussen twee secties kan een aanzienlijke overgangsweerstand introduceren die ver boven de 50 mΩ-grenswaarde uitkomt, ook al oogt de mechanische verbinding (bijvoorbeeld met bouten) stevig. Om dit te voorkomen worden koppelingen doorgaans voorzien van een aparte, expliciete vereffeningsverbinding (een kabel of vlechtstrip tussen de secties) in plaats van te vertrouwen op het contact tussen de gecoate metalen delen onderling.

Praktische relevantie

  • Een metalen kabeldraagsysteem dat over een groot deel van een gebouw of teeltbedrijf loopt, moet aan het begin (en bij lange trajecten op regelmatige afstand) met de hoofdaardrail of een vereffeningsrail worden verbonden — niet uitsluitend via het toevallige contact tussen de gekoppelde secties.
  • Bij uitbreiding of wijziging van een bestaand draagsysteem (extra sectie, doorvoer door een wand) moet de continuïteit van de vereffening opnieuw worden gecontroleerd — een nieuwe sectie die alleen mechanisch, maar niet elektrisch goed is aangesloten, kan een onderbreking in het vereffeningscircuit introduceren.
  • Het bewust gebruiken van het draagsysteem zelf als beschermingsgeleider voor de erop liggende circuits is een aparte ontwerpkeuze die expliciete verificatie tegen de doorsnede-eisen van NEN 1010 §543 vereist — dit mag niet zonder meer worden aangenomen op basis van de continuïteitseis uit IEC 61537 alleen.

Veelgemaakte fouten

  1. Aannemen dat elk gemonteerd kabeldraagsysteem automatisch voldoende elektrische continuïteit heeft — met name bij poedergecoate of gegalvaniseerde koppelingen kan de overgangsweerstand ruim boven de 50 mΩ-grenswaarde van IEC 61537 uitkomen zonder een aparte vereffeningsverbinding.
  2. Het draagsysteem als beschermingsgeleider (PE) beschouwen zonder dit expliciet tegen de doorsnede-eisen van NEN 1010 §543 te verifiëren — een continuïteitsverbinding die voldoet aan de IEC 61537-eis voor potentiaalvereffening is niet automatisch geschikt als beschermingsgeleider.
  3. Bij uitbreiding van een bestaand tracé de continuïteit van de nieuwe sectie niet controleren — een mechanisch stevige, maar elektrisch slecht geleidende koppeling kan onopgemerkt blijven totdat een fout optreedt.
  4. Geen periodieke controle van de overgangsweerstand op koppelingen uitvoeren bij een draagsysteem in een corrosieve of vochtige omgeving — corrosie op het koppelingsvlak kan de overgangsweerstand geleidelijk laten toenemen.

Gerelateerd

Verder lezen

Verwante termen