Kabelgoot en vulgraad
Open of geperforeerde drager voor kabels, uitgevoerd volgens NEN-EN-IEC 61537, met een toegestane belasting (SWL) op basis van een veiligheidsfactor van 1,7. NEN 1010 en NPR 5310 schrijven voor dat de vulgraad — het percentage van de goot dat door kabels wordt ingenomen — voor nieuwe installaties maximaal 40% bedraagt, met een verruiming tot 60% voor trajecten korter dan 1 meter, om voldoende warmteafvoer en trekbaarheid van kabels te waarborgen.
Bij het ontwerpen van een kabeltracé in een technische ruimte wordt de goot zo gedimensioneerd dat na het leggen van alle geplande kabels de vulgraad onder de 40% blijft, met ruimte voor toekomstige uitbreiding.
Een bestaande kabelgoot blijven volproppen bij elke uitbreiding zonder de vulgraad te herberekenen — boven de 40% neemt de onderlinge warmteafgifte van kabels toe, wat de toegestane stroombelastbaarheid van elke kabel in de goot verlaagt.
Zie ook
- → NEN-EN-IEC 61537 Kabeldraagsystemen — kabelgoten en kabelladders (NEN-EN-IEC 61537)
- → IEC 60502-1 / fabrikantrichtlijnen Kabels trekken — maximale trekkracht en minimale buigstraal tijdens installatie
- → IEC 61084-2-2 Vloergoten en vloerdozen — kabelkanalen onder de vloer
- → NEN-EN 1366-3 Brandwerende kabeldoorvoeringen — NEN-EN 1366-3
- → IEC 61439-6 Stroomrailsystemen (busbar trunking, IEC 61439-6) — wanneer in plaats van kabel
- → NEN-EN 50525 Flexibele kabels — H05VV-F versus H07RN-F, en het juiste toepassingsgebied