NEN-Hub
🔍
§643 / IEC 60364-6

PEN-continuïteit praktisch controleren — meetmethode en de valkuil van een misleidend lage waarde

Beschikbaar in: en, nl, pl, ru, ua
Bijgewerkt: ≈ 4 min lezen

PEN-continuïteit praktisch controleren — meetmethode en de valkuil van een misleidend lage waarde

De gids over PEN-geleiderbreuk in TN-C-S behandelt wat er misgaat als de PEN-geleider breekt. Dit artikel gaat over de praktische kant: hoe een monteur de continuïteit van beschermings- en bonding-geleiders daadwerkelijk meet, welke valkuil daarbij een misleidend gunstige uitslag kan opleveren, en waarom het testen van de PEN-geleider van het net zelf een aparte, beperktere positie inneemt.

De juiste testmethode: geen gewone ohm-meting

Een gewone multimeter in de weerstandsmodus gebruikt een klein, niet- gestandaardiseerd testsignaal — geschikt om een grove open verbinding op te sporen, maar niet betrouwbaar genoeg om een verbinding met een licht verhoogde overgangsweerstand (bijvoorbeeld door beginnende corrosie of een losser wordende klem) van een goede verbinding te onderscheiden. Voor een continuïteitsmeting van een beschermingsgeleider hoort daarom een instrument te worden gebruikt dat een gestandaardiseerd testcircuit levert: een testspanning tussen 4 V en 24 V (wissel- of gelijkspanning), met een kortsluitstroom van ten minste 200 mA. Dat hogere teststroomniveau maakt een lichte overgangsweerstand veel zichtbaarder in de meting dan een standaard multimeter dat zou doen.

De valkuil: parallelle aardverbindingen

De meest voorkomende fout bij deze meting is niet de gebruikte apparatuur, maar de meetopstelling: als de te testen geleider aan beide uiteinden verbonden blijft met de rest van het aardingsnetwerk (bijvoorbeeld omdat de hoofdvereffening, andere PE-geleiders en de aardelektrode allemaal onderling verbonden zijn — zie de gids over de hoofdaardklem), dan loopt de testtroom niet uitsluitend door de te testen geleider, maar ook via parallelle paden door de algemene aardmassa en het overige bondingnetwerk. Het resultaat is een kunstmatig lage, geruststellend ogende weerstandswaarde, ook als de geleider die daadwerkelijk wordt getest een breuk of een slechte verbinding bevat. Om dit te voorkomen moet de te testen geleider aan minimaal één uiteinde daadwerkelijk losgekoppeld zijn van het overige netwerk voordat wordt gemeten — precies de reden waarom §542.4 vereist dat elke aansluiting op de hoofdaardklem individueel loskoppelbaar is (zie de gids hierboven).

Waarom de PEN van het net zelf een aparte positie inneemt

Het bovenstaande gaat over de continuïteitsmeting van beschermings- en bonding-geleiders binnen de installatie, waarvan de installateur de volledige toegang heeft. De gecombineerde PEN-geleider vóór het splitsingspunt (het deel dat bij het net hoort, vóór de overgang naar gescheiden N en PE — zie de gids over PEN-geleiderbreuk) is echter eigendom van de netbeheerder en meestal niet toegankelijk voor een directe, geïsoleerde continuïteitsmeting door de installateur. In de praktijk wordt een vermoeden van een PEN-probleem op het netvlak daarom vaker afgeleid uit indirecte signalen dan uit een directe meting:

  • een spanning tussen de nulleider en een onafhankelijke referentie-aarde die hoger is dan verwacht onder normale bedrijfsomstandigheden;
  • een ongebruikelijk hoge aanraakspanning op geaarde metalen delen zonder aanwijsbare interne fout;
  • RCD's die zonder aanwijsbare lekstroom-oorzaak aanspreken, wat kan wijzen op een verstoorde nul-aard-verhouding.

Bij een concreet vermoeden van een PEN-probleem op netvlak is melding bij de netbeheerder de vervolgstap, niet een poging om de PEN zelf op het net te isoleren en te meten.

Praktische relevantie

Bij een periodieke inspectie of oplevering hoort de continuïteitsmeting van beschermings- en bonding-geleiders te worden uitgevoerd met een instrument dat aan de 4-24V/≥200mA-eis voldoet, met de te testen geleider daadwerkelijk losgekoppeld van parallelle paden — niet met een snelle doorgangstest met een gewone multimeter, en niet met beide uiteinden nog verbonden aan het overige netwerk.

Veelgemaakte fouten

  1. Een gewone multimeter in ohm-stand gebruiken voor een continuïteitsmeting van een beschermingsgeleider, in plaats van een instrument met een gestandaardiseerd 4-24V/≥200mA-testcircuit.
  2. Meten terwijl de te testen geleider nog aan beide zijden verbonden is met het overige aardingsnetwerk — dit levert een kunstmatig lage, misleidende weerstandswaarde op door parallelle stroompaden.
  3. Proberen de PEN-geleider van het net zelf direct te isoleren en te meten — dit gedeelte is eigendom van de netbeheerder en normaal gesproken niet voor de installateur toegankelijk voor die specifieke meting.
  4. Indirecte signalen van een PEN-probleem (verhoogde N-aardspanning, onverklaarde RCD-uitschakelingen) negeren omdat er geen directe meting mogelijk is — deze signalen zijn juist de aanwijzing om de netbeheerder in te schakelen.

Gerelateerd

Verder lezen

PEN-continuïteit praktisch controleren — meetmethode en de valkuil van een misleidend lage waarde · NEN-Hub