Perilex, CEEform en draaiveld — aansluiting en fasevolgorde herkennen
Deze pagina is nog niet door een vakbekwaam persoon inhoudelijk gecontroleerd. Controleer altijd de geldende norm en je eigen aanwijzing; dit is geen vervanging van NEN 3140 of NEN 1010.
Perilex, CEEform en draaiveld
Drie onderwerpen die in de praktijk vaak samen voorkomen: de Perilex-stekker (5 polen, 3P+N+PE) voor 3-fase apparaten zoals kookplaten, ovens en werkplaatsmachines, de CEEform-stekker (ook wel CEE-stekker of "krachtstroomstekker") voor 3-fase aansluitingen, en de draaiveldrichting die bepaalt of een 3-fase motor de juiste kant op draait.
Perilex — contactbezetting
De Perilex-stekker (rond, 5 polen: 3P+N+PE) wordt in Nederland gebruikt voor 3-fase apparaten tot 16 A, zoals kookplaten, ovens en werkplaatsmachines, die meer vermogen vragen dan een gewone wandcontactdoos aankan. Hoe de vier buitenste contacten zijn aangesloten, hangt af van de uitvoering (zie "Perilex: eenfase- of driefasenuitvoering?"); de onderstaande tabel toont de 1-fase gekoppelde uitvoering, zoals die vaak bij een fornuisgroep in een woning voorkomt.
| Contact | Functie |
|---|---|
| Midden (center-pin) | PE (aarde) — altijd het middelste, dikste contact |
| Twee tegenover elkaar | Fase (L) — beide op dezelfde fase gebrugd |
| Twee overige | Nul (N) — beide op nul gebrugd |
Herken je een Perilex-stekker: het middelste contact is altijd PE, ongeacht de oriëntatie waarin je de stekker insteekt — dat is juist het ontwerpdoel: niet-omkeerbaar voor de aarde. De twee fase-contacten en de twee nul-contacten zijn intern al gebrugd, zodat één perilex-groep effectief 2×L + 2×N + PE levert (soms gebruikt om twee circuits — bijv. kookplaat en oven — via één aansluitpunt te voeden).
Belangrijkste controle vóór aansluiten: meet met een multimeter tussen het middencontact en de behuizing/aardrail — dat moet PE zijn (~0 Ω naar aarde, geen spanning). Verwissel nooit fase en PE op een Perilex-aansluiting; door de brugverbinding leidt dat tot een dodelijke situatie op de behuizing van het aangesloten toestel.
Universele regel bij elke aansluiting: PE wordt als laatste losgekoppeld en als eerste aangesloten. Bij het monteren van een stekker of klem verbind je dus eerst PE, dan pas fase en nul; bij demonteren maak je eerst fase en nul los, en PE als allerlaatste. Zo is de aarding altijd aanwezig terwijl er nog een kans op spanning bestaat.
Perilex: eenfase- of driefasenuitvoering?
Niet elke Perilex-groep is bekabeld zoals hierboven beschreven. In de praktijk kom je twee uitvoeringen tegen, en je kunt niet aan de stekker zelf zien welke van de twee je voor je hebt:
| Uitvoering | Bekabeling | Herkomst |
|---|---|---|
| 1-fase, gekoppeld | Twee van de vier buitenste contacten intern gebrugd naar dezelfde fase, de andere twee naar nul (zoals hierboven) — gevoed vanuit twee gekoppelde 1-fase eindgroepen waarvan de uitschakelmechanismen mechanisch aan elkaar gekoppeld zijn | Meest voorkomend bij een fornuisgroep in een woninginstallatie |
| 3-fase, 4-draads | Alle vier buitenste contacten apart bekabeld: drie op een eigen fase (L1, L2, L3), één op nul — gevoed vanuit één 4-polige eindgroep | Komt voor bij zwaardere fornuizen/apparatuur die daadwerkelijk 3-fase vermogen vraagt |
Je stelt de uitvoering vast door spanning te meten tussen elk paar van de vier buitenste contacten (op de daadwerkelijk aangesloten spanning, dus ná inschakelen en met inachtneming van de geldende veiligheidsmaatregelen):
- Alle gemeten waarden zijn 0 V of ~230 V, nooit ~400 V → 1-fase uitvoering (de twee 0 V-paren zijn de gebrugde fase- en nulcontacten).
- Minstens één paar meet ~400 V → 3-fase uitvoering (dat paar zijn twee verschillende fasen); de overige paren tonen dan een mix van ~230 V (fase–nul) en ~400 V (fase–fase).
Let op — leerspanning versus netspanning: de waarden ~230 V / ~400 V gelden voor een echte installatie. Op een oefenopstelling met verlaagde spanning (bijv. 23/40 V) lees je dezelfde verhouding: fase–fase = √3 × fase–nul. Beoordeel dus de verhouding, niet het absolute getal.
Bij een gekoppelde 1-fase Perilex-groep is het uitschakelmechanisme van de twee onderliggende eindgroepen aan elkaar gekoppeld — schakel je er één uit, dan schakelt de andere automatisch mee uit. Controleer dit nooit aan de hand van het schema alleen: toon voor het spanningsloos maken altijd zelf aan dat beide polen daadwerkelijk zijn afgeschakeld, want een niet (goed) gekoppeld mechanisme laat anders de helft van de stekker onder spanning staan.
1-fase vs 3-fase herkennen aan het schema
Voordat je meet, kun je de meeste installaties al herkennen aan de schemanotatie:
| Notatie | Betekenis |
|---|---|
| 2P+2N of 1P+N | 1-fase aansluiting: 1 fasedraad + nuldraad (+ PE apart getekend) |
| 3P+N of 4P | 3-fase aansluiting: 3 fasedraden + nuldraad (+ PE) |
| 3P (zonder N) | 3-fase zonder nulleider — alleen tussen de fasen (400 V lijnspanning), komt voor bij grote motoren |
Tel het aantal getekende aders in het schema vóór je de kast opent: 2 aders wijst op 1-fase, 4 aders (3L+N) op 3-fase met nul, 3 aders zonder N op een motorvoeding zonder nulleider.
CEEform / CEE-stekker — pinout
De CEEform-stekker heeft een vaste, genormeerde indeling (IEC 60309). De klokstand van de aardpen (PE) en de pinindeling verschillen per spanningsklasse (zie tabel hieronder); de exacte codering staat in de norm. Bij de twee klassen die in Nederland het meest voorkomen — blauw (1-fase 230 V) en rood (3-fase 400 V) — zit de aardpen op de klok-6-positie (onderaan, tussen de andere pennen in).
| Kleur behuizing | Spanning/stroom | Pinbezetting |
|---|---|---|
| Blauw | 230 V, 1-fase (16/32 A) | L, N, PE (PE op 6 uur) |
| Rood | 400 V, 3-fase (16/32/63/125 A) | L1, L2, L3, PE (+ N bij 5-polig, PE altijd op 6 uur) |
| Geel | 110 V (bouwspanning) | L, N, PE |
Volledige kleur/klokstand-code per spanningsklasse (de klokstand in de tabel is de positie van de aardpen (PE); controleer bij een concrete stekker altijd kleur, spanning en aantal polen — blauw en rood hebben beide PE op 6 uur, dus alleen de pinpositie onderscheidt ze niet):
| Spanningsklasse | Kleur | Klokstand aardpen (PE) |
|---|---|---|
| 20–25 V | Paars | 10 uur |
| 40–50 V | Wit | 10 uur |
| 100–130 V | Geel | 4 uur |
| 200–250 V | Blauw | 6 uur |
| 380–480 V | Rood | 6 uur |
| 500–690 V | Zwart | 7 uur |
De klokstand van de aardpen is één van de kenmerken waarmee de norm stekkers van verschillende spanningsklassen onderscheidt, maar niet het enige. Vertrouw nooit op de pinpositie alleen: controleer altijd kleur, spanning en aantal polen.
Bij de 5-polige rode CEE-stekker (3-fase + N + PE) staan de fasepennen in vaste posities rond de klok — zo kun je met een fasevolgordemeter of draaiveldmeter direct de draairichting controleren zonder de stekker te hoeven verwisselen.
Onbekende contacten identificeren via meting
Is de bedrading niet (meer) betrouwbaar te herleiden uit de kleurcode — bijvoorbeeld na een reparatie door een ander, of bij twijfel — dan stel je L1/L2/L3/N vast door spanning te meten tussen elk paar van de vier niet-PE-contacten (PE ken je al: altijd op 6 uur):
- ~400 V tussen een paar → beide contacten zijn fase, en van elkaar verschillend (L-L).
- ~230 V tussen een paar → één contact is fase, het andere nul (L-N).
- Nul heeft, anders dan bij Perilex, geen tweede contact waarmee het 0 V meet — elk van de drie fasecontacten meet dus ~230 V naar nul en ~400 V naar de beide andere fasecontacten.
Let op — leerspanning versus netspanning: de waarden ~230 V / ~400 V gelden voor een echte installatie. Op een oefenopstelling met verlaagde spanning (bijv. 23/40 V) lees je dezelfde verhouding: fase–fase = √3 × fase–nul. Beoordeel dus de verhouding, niet het absolute getal.
Zo kun je met drie tot zes metingen alle contacten van een 5-polige CEE-stekker eenduidig labelen, ook zonder dat de bekabeling gedocumenteerd is. De concrete volgorde L1-L2-L3 (en dus de draairichting) bepaal je vervolgens met een draaiveldmeter, niet met deze spanningsmeting alleen.
Draaiveld (fasevolgorde) — waarom het telt
Een 3-fase motor draait rechtsom of linksom afhankelijk van de volgorde waarin L1-L2-L3 zijn aangesloten. Verwissel je twee fasen, dan draait de motor de andere kant op — bij een pomp, ventilator of transportband kan dat schade of een gevaarlijke situatie veroorzaken.
Meetinstrumenten:
| Instrument | Testspanning | Gebruik |
|---|---|---|
| Draaiveldmeter / fasevolgordemeter (met schijfje/lampjes) | Aanwezige netspanning (de voeding moet onder spanning staan) | Fasevolgorde (rechtsom/linksom) bepalen op een spanningvoerende voeding; geeft geen uitslag op een spanningsloos circuit |
| Duspol / installatietester met draaiveldfunctie | Volledige netspanning 230/400 V | Meet op de daadwerkelijk aangesloten spanning; vereist dat het circuit al onder spanning staat |
| Teststekker met draaiveldindicatie | Volledige netspanning | Voor snelle controle bij CEE-aansluitpunten op bouwplaatsen |
De fasevolgorde (draaiveld) kun je alleen vaststellen op een spanningvoerende voeding met een draaiveld-/fasevolgordemeter; op een spanningsloos circuit geeft zo'n instrument geen uitslag. Controleer dit dus pas nadat de groep onder spanning is gezet, met alle bijbehorende voorzorgsmaatregelen (PBM, vrijgave). De draairichting van een motor controleer je met de draaiveldmeter op de voeding (stap hierboven) en bij de proefstart — niet door de as met de hand te draaien. Op een oefenopstelling worden vaak lage spanningen gebruikt (bijv. 23/40 V); dat is een eigenschap van de opstelling, niet van het instrument. Lees daarom de verhouding, niet het absolute getal: fase–fase is altijd √3 (≈ 1,73) × fase–nul. 23 V en 40 V (of 230 V en 400 V) betekenen dus hetzelfde, en een uitslag op een laagspanningsopstelling zegt niets over de spanning op een echte installatie. Noteer altijd de waarde die je daadwerkelijk meet.
Displayconventie per instrumentmerk: een Fluke 1650/1660-serie installatietester toont het resultaat als tekst — "1-2-3" voor rechtsom, "3-2-1" voor linksom, en drie streepjes "---" bij een niet-eenduidige of ontbrekende aansluiting. Een Profitester (Gossen Metrawatt) toont hetzelfde resultaat niet als cijferreeks maar als draairichtingspijl op het scherm. Ken je de weergave van je eigen instrument niet zeker, controleer dan eerst op een bekende, correct aangesloten referentiegroep welk symbool bij welke draairichting hoort, vóórdat je het resultaat op een onbekende groep interpreteert.
Praktische volgorde bij een nieuwe 3-fase aansluiting
- Lees het schema: bevestig dat het om een 3-fase (3P+N of 3P) aansluiting gaat.
- Sluit L1, L2, L3, N en PE aan volgens de kleurcode (bruin/zwart/grijs voor fase, blauw voor N, geel-groen voor PE) en volgens het schema — niet naar eigen inzicht verwisselen.
- Controleer met een draaiveldmeter op de spanningvoerende voeding (motor nog niet aangesloten; geldende veiligheidsmaatregelen in acht nemen) de fasevolgorde vóórdat je de motor voor het eerst laat draaien.
- Sluit de motor aan (voeding eerst spanningsloos), schakel in en verifieer bij een draaistroommotor kort de draairichting (proefstart) vóórdat deze belast wordt.
- Is de richting fout: wissel twee fasen (nooit N of PE aanraken/verwisselen) en herhaal de controle. Bij een stekkerverbinding kan dit ook met een fasewisselstekker (fase-omkeerstekker) — een tussenstekker die twee fasen intern kruist, zodat je niet elke keer opnieuw twee draden hoeft los te maken en om te klemmen.
Verder lezen
- PracticalAansluiting verzwaren — de aanvraagprocedure bij de netbeheerder
- PracticalPt1000 3-draads aansluiting voor klimaatregeling
- §411 / NEN 1010Randaarde herkennen in oudere installaties — waarom een aardpen geen bewijs is
- PracticalWarmtepomp — elektrische aansluiting in de praktijk
- Guard-aansluiting (isolatietest)Guard-aansluiting bij isolatieweerstandsmeting — oppervlaktelekstroom uitsluiten
- IEC 61000-4-7 / IEEE C57.110Harmonischen meten in de praktijk — netkwaliteitsanalyzer, THD-I/THD-V en K-factor transformatorderating