De stroom-tijd-curve (IEC 60479-1) — waarom 30 mA en 5 seconden geen willekeurige getallen zijn
De stroom-tijd-curve (IEC 60479-1) — waarom 30 mA en 5 seconden geen willekeurige getallen zijn
De RCD-gids (§531) noemt 30 mA als de standaardwaarde voor aanvullende bescherming, en de automatische-uitschakeling-gidsen noemen maximale uitschakeltijden die afhangen van de aanraakspanning. Dit artikel behandelt de vraag die daaraan ten grondslag ligt: waarom juist deze getallen? Het antwoord komt uit IEC 60479-1 — de technische specificatie die de fysiologische effecten van stroom door het menselijk lichaam beschrijft als functie van stroomsterkte én duur.
Vier zones, geen vaste grenswaarde
IEC 60479-1 verdeelt de effecten van wisselstroom (15-100 Hz, pad hand-naar-voeten) niet in één harde grenswaarde, maar in vier zones die samen een curve vormen in een stroom-tijd-diagram: hoe langer de stroom door het lichaam loopt, hoe lager de stroomsterkte al gevaarlijk kan zijn.
| Zone | Kenmerk | Typisch fysiologisch effect |
|---|---|---|
| AC-1 | Onder de waarnemingsdrempel | Meestal geen enkele reactie of gewaarwording |
| AC-2 | Boven de waarnemingsdrempel, onder de loslaatdrempel | Voelbaar, meestal spierreacties, doorgaans geen schadelijk fysiologisch effect |
| AC-3 | Boven de loslaatdrempel | Pijnlijke spiersamentrekkingen, ademhalingsmoeilijkheden mogelijk, meestal reversibele effecten zonder orgaanschade |
| AC-4 | Verder oplopend, tijdsafhankelijk | Toenemende kans op pathofysiologische effecten, waaronder ventrikelfibrillatie; onderverdeeld in AC-4.1/4.2/4.3 naar oplopende fibrillatiekans |
De twee sleuteldrempels
- Waarnemingsdrempel: bij 50/60 Hz wisselstroom doorgaans ergens tussen 0,25 en 1 mA — het punt waarop een mens de stroom voor het eerst voelt (tinteling).
- Loslaatdrempel: het punt waarop spiercontractie het onmogelijk maakt om een vastgegrepen geleider zelf weer los te laten. Deze drempel is sterk tijdsafhankelijk — van ongeveer 5 mA bij een blootstelling langer dan 6 seconden tot veel hogere waarden bij zeer korte blootstelling; als vuistregel voor de praktijk wordt vaak circa 10 mA aangehouden.
- Vanaf ongeveer 40 mA, aangehouden gedurende meer dan 2 seconden, neemt het risico op ventrikelfibrillatie — een levensbedreigende hartritmestoornis — merkbaar toe. Dit is precies de reden dat de curve, en niet een vaste stroomwaarde, bepalend is: dezelfde stroomsterkte kan bij een kortere blootstelling in zone AC-3 vallen en bij een langere blootstelling in zone AC-4.
De link naar 30 mA en de maximale uitschakeltijd
Dit is de fysiologische onderbouwing achter twee veelgebruikte getallen uit NEN 1010:
- 30 mA-aanvullende bescherming (§411.3.3, zie de RCD-gids): een aardlekschakelaar met een nominale differentiaalstroom van 30 mA schakelt uit ruim vóórdat de foutstroom door een mens het niveau bereikt waarbij ventrikelfibrillatie een reëel risico wordt — met een aanzienlijke veiligheidsmarge ten opzichte van de ~40 mA/2 s-zone.
- Maximale uitschakeltijden bij automatische uitschakeling van de voeding (§411): hoe hoger de te verwachten aanraakspanning, hoe korter de toegestane uitschakeltijd — precies omdat de stroom-tijd-curve laat zien dat een hogere stroom bij een kortere blootstellingsduur binnen een aanvaardbare zone kan blijven, terwijl diezelfde stroom bij een langere duur in de gevarenzone terechtkomt.
Let op: de curve verklaart ook waarom een RCD-triptijdmeting (zie de aardlekschakelaar-triptijdmeting-gids) niet alleen de afschakelstroom controleert, maar ook de tijd waarbinnen dat gebeurt: een RCD die wél op 30 mA afschakelt maar daarvoor te lang de tijd neemt, biedt in de praktijk minder bescherming dan de norm veronderstelt.
Praktische relevantie
Bij het uitleggen — of op een examen beantwoorden — waarom bepaalde grenswaarden in NEN 1010/3140 gelden (30 mA, maximale uitschakeltijden), is het onvoldoende om alleen het getal te kennen; de onderliggende reden is de stroom-tijd-relatie uit IEC 60479-1. Dit voorkomt ook een veelvoorkomend misverstand: dat een stroom onder 30 mA per definitie "veilig" zou zijn — de curve laat zien dat ook lagere stromen bij een langdurige blootstelling in een risicovollere zone terecht kunnen komen.
Veelgemaakte fouten
- Denken dat er één vaste, tijdsonafhankelijke gevarendrempel bestaat — de curve van IEC 60479-1 is expliciet tijdsafhankelijk; stroomsterkte én duur bepalen samen de zone.
- Waarnemingsdrempel en loslaatdrempel verwisselen — de waarnemingsdrempel (voelbaar) ligt ruim onder de loslaatdrempel (spiercontractie voorkomt loslaten); beide zijn verschillende, afzonderlijke grenzen.
- 30 mA behandelen als een absolute veiligheidsgarantie in plaats van een praktisch gekozen waarde met een ruime veiligheidsmarge ten opzichte van de fibrillatiezone — de marge bestaat juist om onzekerheid in individuele gevoeligheid en meetnauwkeurigheid op te vangen.
- De uitschakeltijd van een beveiliging niet meewegen bij het beoordelen van de veiligheid van een installatie, en alleen naar de afschakelstroom kijken.
Gerelateerd
Verder lezen
- InspectieAardlekschakelaar beproeven — triptijd en aanspreekstroom (NEN-EN-IEC 61557-6)
- InspectieMeetvolgorde bij de initiële keuring — waarom eerst dood, dan pas onder spanning
- IEC 60076-1Transformator-vectorgroepen — waarom Dyn11 en Yyn0 niet zomaar parallel mogen
- IEC 60079-14ATEX-kabelinvoeringen — waarom een Ex e-wartel niet zomaar op een Ex d-omhulling past
- IEC 60079-0ATEX Ex-markering decoderen — wat betekent "Ex db IIC T4 Gb"?
- IEC 60079-17Periodieke inspectie van explosieveilig materieel (IEC 60079-17)