NEN-Hub
🔍
NEN-EN 60598-2-22

Noodverlichtingsarmaturen — bedrijfsmodus en accu-autonomie (NEN-EN 60598-2-22)

Beschikbaar in: en, nl, pl, ru, ua
Bijgewerkt: ≈ 3 min lezen

Noodverlichtingsarmaturen — bedrijfsmodus en accu-autonomie

De 560-noodverlichting-gids behandelt de fotometrische eisen (verlichtingssterkte in lux) en de noodverlichting-autotest-systemen-gids de periodieke test van een armatuur. Dit artikel behandelt een derde laag: de constructie-eisen aan het armatuur zelf uit NEN-EN 60598-2-22, waaronder de bedrijfsmodus en de accu-autonomie.

Bedrijfsmodus

NEN-EN 60598-2-22 onderscheidt onder meer:

  • Niet-onderhouden: de noodverlichtingslamp brandt uitsluitend bij het wegvallen van de normale voeding.
  • Onderhouden: de lamp brandt permanent, zowel als normale verlichting als — bij netuitval — als noodverlichting.
  • Gecombineerd niet-onderhouden/onderhouden: het armatuur bevat zowel een normale als een aparte noodverlichtingslichtbron.

Accu-autonomie

De accu van een zelfstandig (self-contained) armatuur moet een gespecificeerde autonomietijd kunnen leveren — in de praktijk meestal 1 uur of 3 uur, afhankelijk van het gebouwtype en de toepasselijke lokale/nationale voorschriften (bijvoorbeeld een langere autonomietijd bij gebouwen met een verhoogd ontruimingsrisico). Dit artikel geeft geen universele Nederlandse norm-waarde voor welke gebouwcategorie welke autonomieklasse vereist — dat volgt uit het van toepassing zijnde bouwbesluit/de brandveiligheidsvoorschriften voor het specifieke gebouw.

Hercombinatieperiode (recharge)

Na een volledige ontlading (bijvoorbeeld door de jaarlijkse volledige autonomietest, zie de autotest-systemen-gids) moet de accu binnen een gespecificeerde hercombinatieperiode — in de industriepraktijk doorgaans aangehouden als maximaal 24 uur — weer voldoende capaciteit hebben om opnieuw de volledige autonomietijd te kunnen leveren.

Let op: de exacte hercombinatietijd en de toegestane celchemie volgen uit de specifieke productcertificering van het armatuur — dit artikel geeft het normkader en de in de branche gangbare praktijkwaarde, geen gegarandeerde universele waarde voor elk product.

Accu-levensduur

Noodverlichtingsaccu's hebben een eindige levensduur; in de praktijk wordt vaak een ontwerplevensduur van circa vier jaar aangehouden, waarna een accu periodiek extra kritisch getest moet blijven worden (of vervangen) om zeker te stellen dat de volledige autonomietijd nog wordt gehaald — een accu die onder pakweg 80 % van zijn oorspronkelijke capaciteit zakt, kan de vereiste autonomietijd doorgaans niet meer betrouwbaar leveren.

Praktische relevantie

Bij vervanging van een defecte noodverlichtingsaccu is het niet voldoende om "een accu die past" te plaatsen — de vervangende accu moet dezelfde autonomieklasse en hercombinatie-eigenschappen ondersteunen als waarop het armatuur oorspronkelijk is gecertificeerd, anders voldoet het armatuur na vervanging niet meer aan de eigen productcertificering, ondanks dat het uiterlijk en de aansluiting identiek lijken.

Veelgemaakte fouten

  1. Een niet-gespecificeerde vervangaccu monteren na een storing — zonder de juiste capaciteit/celchemie kan het armatuur de gecertificeerde autonomietijd niet meer halen, ook al functioneert de noodverlichting op het eerste gezicht normaal.
  2. Ervan uitgaan dat een "onderhouden" armatuur automatisch aan de noodverlichtingseisen voldoet omdat het altijd brandt — de bedrijfsmodus zegt niets over of de accu-autonomie en de fotometrische eisen (zie de 560-gids) ook daadwerkelijk zijn geverifieerd.
  3. Een accu die de ontwerplevensduur is gepasseerd laten zitten zonder een volledige autonomietest, in de veronderstelling dat "hij het tot nu toe altijd heeft gedaan" — capaciteitsdegradatie is vaak pas zichtbaar bij een volledige ontlading, niet bij de korte functietest.

Gerelateerd

Verder lezen

Verwante termen