Kabels trekken — maximale trekkracht en minimale buigstraal tijdens installatie
Kabels trekken — maximale trekkracht en minimale buigstraal tijdens installatie
De kabeldoorsnede-stroombelastbaarheid-gids bepaalt welke doorsnede een kabel nodig heeft om een bepaalde bedrijfsstroom te kunnen voeren. Dit artikel behandelt een ander soort grens, die niets met stroombelastbaarheid te maken heeft: de mechanische grenzen waaraan een kabel tijdens het intrekken (in buis, kabelgoot of kabelbaan) moet voldoen om beschadiging van geleider, isolatie of eventuele wapening/afscherming te voorkomen.
Grens 1 — de maximale trekkracht op de geleider
Wanneer een kabel met een trekoog rechtstreeks aan de geleider(s) wordt getrokken, geldt een vuistregelmatige maximale trekspanning per doorsnede-eenheid, gebaseerd op de rekgrens van het geleidermateriaal met een veiligheidsmarge:
- Koper: circa 50 N/mm² geleiderdoorsnede.
- Aluminium: circa 30 N/mm² geleiderdoorsnede (lager dan koper, vanwege de lagere rekgrens van aluminium).
Voor een kabel met bijvoorbeeld een koperen geleider van 95 mm² komt dit neer op een maximale trekkracht van ruwweg 50 × 95 ≈ 4750 N. Wordt de kabel niet via een trekoog op de geleider, maar via een trekkous (vlechtkous) om de gehele kabelmantel getrokken, dan geldt een lagere toelaatbare trekkracht, bepaald door de wrijving van de kous op de mantel in plaats van de treksterkte van de geleider zelf — deze waarde staat in de installatiedocumentatie van de kabelfabrikant en is niet universeel met een vuistregel te benaderen.
Let op: naast de trekkracht zelf geldt bij het intrekken via bochten ook een grens aan de zijwaartse druk (sidewall pressure) die de kabel in een bocht mag ondervinden — bij een te grote trekkracht in combinatie met een krappe bocht kan de kabel lokaal worden platgedrukt, ook als de trekkracht zelf binnen de rechte-lijn-limiet blijft.
Grens 2 — de minimale buigstraal
Onafhankelijk van de trekkracht geldt een minimale buigstraal, uitgedrukt als een veelvoud van de uitwendige diameter (D) van de kabel, die tijdens en na installatie niet mag worden onderschreden:
- IEC 60502-1 hanteert als basiswaarden 15× D voor eenaderige kabels en 12× D voor meeraderige kabels (beide zonder wapening).
- Kabels met een metalen wapening, afschermlaag of pantser (koperband, stalen pantserdraad, aluminiumfolie) vereisen doorgaans een grotere buigstraal dan de onbewapende basiswaarde, omdat elke extra metalen laag bij een te krappe bocht onomkeerbaar plastisch vervormt (kreukelen van een afschermband, breuk van pantserdraad).
- Flexibele kabels (bijvoorbeeld sleepkabels in een kabeldrag) kunnen juist een kleinere buigstraal toestaan (in de orde van 4–5× D), specifiek ontworpen voor herhaald buigen.
Let op: er bestaat geen universele buigstraal-waarde voor "een kabel" — de exacte minimale buigstraal is fabrikant- en constructiespecifiek en staat op het productdatablad; de IEC 60502-1-waarden zijn een basislijn voor gangbare vermogenskabels, geen absolute ondergrens voor elk kabeltype.
Waarom beide grenzen los van elkaar moeten worden gecontroleerd
Een installatie kan ruim binnen de maximale trekkracht blijven en toch de kabel beschadigen door een te krappe bocht ergens in het traject (of andersom: een rechte trekbaan zonder krappe bochten, maar met een te hoge trekkracht door een te lang of te zwaar traject). Beide grenzen moeten dus afzonderlijk worden getoetst aan het daadwerkelijke tracé — het controleren van alleen de trekkracht (bijvoorbeeld met een trekkrachtmeter tijdens het intrekken) zegt niets over of ergens in het tracé een bocht krapper is dan de minimale buigstraal toestaat.
Praktische relevantie
Bij het plannen van een kabeltracé door buizen of kabelgoten met meerdere bochten moet vooraf worden gecontroleerd of elke bocht in het tracé voldoet aan de minimale buigstraal van de te installeren kabel, en moet tijdens het intrekken de trekkracht (bij voorkeur gemeten, niet geschat) binnen de fabrikantgrens blijven — vooral bij lange trajecten met meerdere bochten, waar de effecten van wrijving zich opstapelen.
Veelgemaakte fouten
- Een generieke buigstraal-vuistregel toepassen op een gewapende of afgeschermde kabel zonder de fabrikantspecificatie te raadplegen — de IEC 60502-1-basiswaarden gelden voor onbewapende kabels; wapening of afscherming vereist doorgaans een grotere buigstraal.
- Trekken via een trekkous behandelen als trekken via een trekoog op de geleider — de toelaatbare trekkracht is wezenlijk anders, omdat de trekkous de kracht via wrijving op de mantel overbrengt in plaats van direct op de geleider.
- Alleen de trekkracht controleren en de buigstralen in het tracé niet vooraf beoordelen — een kabel kan lokaal beschadigd raken door een te krappe bocht, ook wanneer de gemeten trekkracht ruim binnen de toegestane grens blijft.
Gerelateerd
Verder lezen
- NEN-EN 50575 / NEN 8012Brandclassificatie van kabels — CPR (NEN-EN 50575) en NEN 8012
- NEN-EN-IEC 61537Kabeldraagsystemen — kabelgoten en kabelladders (NEN-EN-IEC 61537)
- IEC 61442Kabelmoffen — ondergrondse kabelverbindingen en -reparaties (IEC 61442)
- §522.8Ondergrondse kabels — graafdiepte en mechanische bescherming (§522.8)
- DIN 46228 / IEC 60947-7-1Adereindhulzen — krimpen van soepele geleiders in klemverbindingen
- NEN-EN 1366-3Brandwerende kabeldoorvoeringen — NEN-EN 1366-3