Autonomietijd noodverlichting
De tijdsduur waarin een noodverlichtingsinstallatie (vluchtwegverlichting) na het wegvallen van de normale voeding op eigen accu- of batterijvoeding moet blijven functioneren, voordat de bezetting het gebouw kan hebben verlaten of tot de normale voeding is hersteld. NEN-EN 1838 en de bouwregelgeving schrijven doorgaans minimaal 1 uur voor bij standaard vluchtwegen, oplopend tot 3 uur bij gebouwen waar ontruiming langer duurt of niet volledig plaatsvindt (bv. zorginstellingen, grote publieke gebouwen). De autonomietijd is een andere eis dan de inschakeltijd (50% licht binnen 5 s, 100% binnen 60 s) en moet apart worden getoetst, bv. door de accu volledig te laten ontladen tijdens een periodieke test.
Bij de periodieke inspectie van een verzorgingstehuis test de inspecteur niet alleen of de armaturen binnen 5 seconden aanslaan, maar laat hij de accu's ook een volledige cyclus van 3 uur ontladen om te bevestigen dat de voorgeschreven autonomietijd nog wordt gehaald.
Bij een periodieke NEN 3140-inspectie alleen controleren of de noodverlichting bij een korte netonderbreking aanslaat, zonder de volledige autonomietijd te testen — een verouderde accu kan de inschakeltest doorstaan maar na bijvoorbeeld 20 minuten al uitvallen, ruim binnen de vereiste periode.
Zie ook
- → §560 Noodverlichting & vluchtwegverlichting — §560
- → NEN-EN 62034 Noodverlichting — automatische testsystemen (NEN-EN 62034)
- → NEN-EN 60598-2-22 Noodverlichtingsarmaturen — bedrijfsmodus en accu-autonomie (NEN-EN 60598-2-22)
- → §559 Verlichtingsinstallaties — §559
- → §715 / IEC 60364-7-715 §715 — Laagspanningsverlichtingsinstallaties (extra-lage spanning)
- → §559 Assimilatiebelichting — groepen, RCD-type en beveiliging