Laadmodus Mode 1-4 (IEC 61851)
De indeling volgens IEC 61851-1 van de wijze waarop een elektrisch voertuig op het net wordt aangesloten, oplopend in veiligheidsniveau en vermogen: Mode 1 (rechtstreeks op een gewoon stopcontact zonder communicatie, in Nederland afgeraden), Mode 2 (stopcontact met een in-kabel controle- en beveiligingsbox, ICCB), Mode 3 (vaste laadpaal met permanente communicatie tussen paal en voertuig via het control pilot-signaal, de gangbare oplossing voor laadpunten) en Mode 4 (DC-snelladen, waarbij de gelijkrichter in de laadpaal zelf zit in plaats van in het voertuig). NEN 1010 verwijst voor de installatie-eisen van laadpunten naar deze indeling, met name voor de vereiste aardlekbeveiliging en de controle op een geldig control pilot-signaal voordat vermogen wordt vrijgegeven.
Bij het ontwerp van een laadplein kiest de installateur voor Mode 3-laadpalen met vaste bekabeling en control pilot-communicatie in plaats van eenvoudige Mode 2-stopcontacten, zodat laadstroom en foutdetectie continu tussen paal en voertuig worden uitgewisseld.
Een elektrisch voertuig via een verlengsnoer op een gewoon stopcontact (Mode 1) langdurig laden — zonder control pilot-communicatie en specifieke aardlekbeveiliging voor DC-lekstromen is dit in Nederland een verhoogd brand- en schokrisico en wordt het afgeraden.
Zie ook
- → §722 Laadpunten voor elektrische voertuigen (EV)
- → IEC 63027 DC-vlamboogdetectie in PV-strings — aanvullende brandbeveiliging (IEC 63027)
- → §8-1 / IEC 60364-8-1 NEN 1010 deel 8-1 — Energie-efficiëntie van elektrische installaties (IEC 60364-8-1)
- → IEC 60947-6-1 Omschakelautomaat (ATS) voor noodstroomvoorzieningen (IEC 60947-6-1)
- → IEC 60755 RCD-typen AC/A/F/B — classificatie en selectie per belastingtype (IEC 60755)
- → §131 Beschermingsprincipes