Temperatuurcoëfficiënt geleiderweerstand
De weerstand van koperen en aluminium geleiders neemt toe met de temperatuur (ca. 0,4%/°C voor koper); NEN-EN 60228 specificeert de geleiderweerstand bij een referentietemperatuur van 20°C. Een tijdens een R1+R2-continuïteitsmeting gemeten weerstand bij een hogere omgevings- of bedrijfstemperatuur moet daarom worden teruggerekend naar de 20°C-referentiewaarde voordat deze wordt vergeleken met de berekende/verwachte waarde uit het ontwerp, anders lijkt een geleider ten onrechte af te wijken.
Bij een R1+R2-meting in een warme technische ruimte (35°C) rekent de inspecteur de gemeten waarde met de temperatuurcoëfficiënt terug naar 20°C, voordat hij deze toetst aan de in het ontwerp berekende maximale kringweerstand.
Een R1+R2-meetwaarde die bij een afwijkende omgevingstemperatuur is gemeten rechtstreeks vergelijken met de 20°C-ontwerpwaarde zonder temperatuurcorrectie, waardoor een op zich goede kabel ten onrechte wordt afgekeurd (of, andersom, een te hoge weerstand ten onrechte wordt goedgekeurd) bij lage omgevingstemperatuur.
Zie ook
- → DIN 46228 / IEC 60947-7-1 Adereindhulzen — krimpen van soepele geleiders in klemverbindingen
- → IEC 60502-1 / NEN 1010 §543.4 Concentrische (PEN-)kabels — de golfvormige concentrische geleider als gecombineerde nul-en-aarde, en waarom het geen scherm is
- → DLRO / IEC 62271 Contactweerstandsmeting met een micro-ohmmeter (DLRO) — verbindingen keuren die thermografie kan missen
- → §521.5 (IEC 60364-5-52) Enkelader-kabels door een stalen doorvoerplaat — waarom alle geleiders van één groep samen door hetzelfde gat moeten
- → IEC 60228 Geleiderklassen IEC 60228 — klasse 1 t/m 6, en waarom de flexibiliteitsklasse de aansluitmethode bepaalt
- → IEC 60502-2 (halfgeleidende laag) Halfgeleidende laag bij MS-kabels — geleiderscherm en isolatiescherm volgens IEC 60502-2