Stapspanning (aardpotentiaaltrechter)
Het spanningsverschil dat ontstaat tussen twee punten op de grond op onderlinge afstand van circa één menselijke pasbreedte (doorgaans als 1 m aangehouden), veroorzaakt door de potentiaaltrechter rond een aardelektrode wanneer daar een aardfoutstroom doorheen vloeit. In tegenstelling tot aanrakingsspanning (tussen een geleidend deel en de grond) ontstaat stapspanning uitsluitend via de grond zelf, tussen de voeten van een persoon die zich in of nabij de potentiaaltrechter bevindt, en kan bij hoge foutstromen en een slecht verdeelde aardelektrode (zoals een enkele staafelektrode in plaats van een ringaarder) gevaarlijk hoog oplopen, met name dicht bij het invoerpunt van de stroom. Een goed ontworpen aardingssysteem — bijvoorbeeld met een vlakke ringaarder of vermaasd aardnet in plaats van een puntelektrode — vlakt de potentiaaltrechter af en beperkt zo de stapspanning.
Bij het ontwerp van de aarding voor een middenspanningsstation in een weiland kiest de ontwerper voor een vermaasd aardnet in plaats van een enkele staafelektrode, specifiek om de stapspanning voor omstanders en vee bij een aardfout te beperken.
Alleen de aanrakingsspanning bij een verdeelkast beoordelen en de stapspanning rond een buiten gelegen aardelektrode (bijvoorbeeld bij een transformatorstation) over het hoofd zien — juist in de directe omgeving van de elektrode kan de stapspanning het kritische risico zijn, niet de aanrakingsspanning.
Zie ook
- → §411 Beschermende aarding (PE)
- → §705 Veestallen en agrarische bedrijven (§705) — aardpotentiaal in vee-toegankelijke zones
- → §715 / IEC 60364-7-715 §715 — Laagspanningsverlichtingsinstallaties (extra-lage spanning)
- → §443 Overspanningsbeveiliging (SPD)
- → §411 Automatische uitschakeling van de voeding (AUV)
- → §413.3 Elektrische scheiding (§413.3) — een scheidingstransformator als beschermingsmaatregel zonder aarding