Installatiemethode / referentiemethode
Gestandaardiseerde codering (bv. A1, B2, C, E) die beschrijft hoe een kabel of leiding is aangebracht — bijvoorbeeld in een geïsoleerde wand, in buis, tegen een wand of vrij in de lucht. De referentiemethode bepaalt, samen met de aderdoorsnede en omgevingstemperatuur, welke stroombelastbaarheid uit de tabellen van NEN 1010 mag worden afgelezen.
Een 2,5 mm² kabel die in een geïsoleerde spouwmuur ligt (referentiemethode A1) heeft een lagere toegestane stroombelasting dan dezelfde kabel vrij opgehangen aan een kabelladder (referentiemethode E), omdat de warmteafvoer in de spouwmuur beperkter is.
Bij het bepalen van de aderdoorsnede alleen naar de stroom kijken en de referentiemethode negeren — dezelfde kabel heeft bij een slechtere warmteafvoer een lagere toegestane belastbaarheid en kan bij verkeerde keuze oververhit raken.
Zie ook
- → §559 Verlichtingsinstallaties — §559
- → §514 §514 — Identificatie: opschriften, waarschuwingen en documentatie bij de installatie
- → §704 Tijdelijke installaties op bouw- en sloopterreinen
- → §715 / IEC 60364-7-715 §715 — Laagspanningsverlichtingsinstallaties (extra-lage spanning)
- → §721 Elektrische installaties in caravans en kampeerauto's (§721)
- → §740 Tijdelijke installaties op kermissen en evenementen (§740) — verplichte 30mA-RCD