Coaxkabel (RG-typering, impedantie)
Een signaalkabel met een concentrische opbouw van binnengeleider, diëlektricum, afschermende buitengeleider (vlecht en/of folie) en buitenmantel, waarbij de vaste verhouding tussen de diameters van binnen- en buitengeleider een gedefinieerde karakteristieke impedantie oplevert. De historische RG-typering (bijvoorbeeld RG-6 voor CAI/antenne-installaties met 75 ohm, of RG-58 voor 50 ohm-toepassingen in meet- en RF-techniek) geeft primair diameter en diëlektricum aan; de impedantie moet aan beide zijden van een verbinding overeenkomen, omdat een mismatch reflecties (staande golven) en signaalverlies veroorzaakt. In gebouwinstallaties wordt coax vooral toegepast voor CAI/antennesignalen, CCTV-video en RF-metingen, waarbij scheiding van sterkstroomkabels de EMC-immuniteit ten goede komt.
Bij de aanleg van een CCTV-systeem kiest de installateur RG-59-coaxkabel met een vaste 75 ohm-impedantie en zorgt hij voor minimaal 30 cm scheidingsafstand tot parallel lopende 230 V-groepen om beeldstoring te voorkomen.
Een 50 ohm RG-58-kabel gebruiken op een 75 ohm CAI-aansluiting (of omgekeerd) — de impedantiemismatch veroorzaakt reflecties die tot signaalverlies en beeld- of ontvangststoringen leiden, ook al past de connector fysiek.
Zie ook
- → IEC 60364-5-52 Aluminium kabels — doorsnede-equivalentie ten opzichte van koper en de 1,6×-vuistregel
- → NEN-EN 1366-3 Brandwerende kabeldoorvoeringen — NEN-EN 1366-3
- → IEC 61439-6 Stroomrailsystemen (busbar trunking, IEC 61439-6) — wanneer in plaats van kabel
- → IEC TS 60034-25 Motorkabel voor frequentieomvormers — symmetrische opbouw tegen lagerstromen
- → NEN 6069 / IEC 60331 / EN 50200 Functiebehoudkabel — waarom E30/E60/E90 op een kabel iets anders betekent dan diezelfde klasse op een doorvoerafdichting
- → Installatietemperatuur Minimale installatietemperatuur van kabels — waarom PVC bij koude anders reageert dan XLPE