NEN-Hub
🔍
ANSI 85 (teleprotectie)

Teleprotectie-schema's (ANSI 85) — permissive en blocking bij afstandsbeveiliging

Beschikbaar in: en, nl, pl, ru, ua
Bijgewerkt: ≈ 5 min lezen

Teleprotectie-schema's (ANSI 85) — permissive en blocking bij afstandsbeveiliging

De gids over afstandsbeveiliging (21) — impedantiebeveiliging en zones behandelt hoe een enkel afstandsrelais de impedantie naar een fout meet en op basis daarvan in vooraf ingestelde zones met een oplopende tijdvertraging schakelt: zone 1 dekt doorgaans slechts 80-90% van de lijnlengte ogenblikkelijk, om overreach bij meetonzekerheid te voorkomen, terwijl het resterende deel van de lijn via zone 2 met vertraging wordt afgeschakeld. Dit artikel behandelt hoe die inherente vertraging op het laatste deel van de lijn wordt vermeden door de relais aan weerszijden van de lijn via een communicatiekanaal met elkaar te laten "praten" — in de praktijk aangeduid met de ANSI-code 85 (pilot- of teleprotectierelais).

Het probleem: zone 1 dekt de lijn nooit volledig

Een fout die net buiten het bereik van zone 1 valt (in de laatste 10-20% van de lijn) wordt door het lokale relais pas na de zone 2-vertraging afgeschakeld, ook al meet het relais aan de andere kant van de lijn diezelfde fout mogelijk wél ogenblikkelijk in zijn eigen zone 1. Zonder communicatie tussen beide relais blijft de fout gedurende de volledige zone 2-tijd bestaan, ook al is er aan één kant van de lijn relais-informatie beschikbaar die een snellere afschakeling zou toelaten. Teleprotectie lost dit op door die informatie via een communicatiekanaal (glasvezel, een dedicated pilotkabel, of een signaal over de hoogspanningslijn zelf) tussen beide relais uit te wisselen.

Permissive overreach transfer trip (POTT)

Bij POTT stelt elk relais zijn ogenblikkelijk werkende zone zo in dat deze verder reikt dan het einde van de eigen lijn (overreach) — voldoende om de volledige lijnlengte met marge te dekken. Zodra een relais een fout binnen die overreach-zone detecteert, stuurt het een permissive signaal naar het relais aan de andere kant. Alleen wanneer een relais zowel zelf een fout in zijn overreach-zone detecteert als het permissive-signaal van de andere kant ontvangt, schakelt het ogenblikkelijk uit. Deze dubbele voorwaarde voorkomt dat een relais alleen op basis van zijn eigen, verder reikende (en dus gevoeligere voor externe fouten) zone-instelling onterecht afschakelt.

Permissive underreach transfer trip (PUTT)

Bij PUTT werkt elk relais met zijn normale, onderreikende zone 1 (die met opzet de laatste 10-20% van de lijn niet dekt om overreach te voorkomen). Zodra zone 1 van een relais aanspreekt, weet dat relais met zekerheid dat de fout binnen de eigen lijn ligt — een onderreikende zone kan namelijk per definitie niet buiten de eigen lijn aanspreken. Het relais stuurt daarom een permissive-signaal naar de andere kant, die daarmee toestemming krijgt om zijn eigen, overreikende zone 2 ogenblikkelijk te laten schakelen in plaats van de normale zone 2-vertraging af te wachten.

Let op: zowel POTT als PUTT vereisen dat het relais zelf ook een fout detecteert vóórdat het op het ontvangen signaal reageert — het communicatiesignaal alleen is nooit voldoende om te schakelen. Dit maakt beide schema's inherent veiliger tegen een storing in het communicatiekanaal die zonder deze eis tot een ongewenste, ongefundeerde afschakeling zou kunnen leiden.

Blocking-schema's: de omgekeerde logica

Bij een blocking-schema werkt de logica andersom: elk relais gebruikt een overreikende zone die naar achteren, buiten de eigen lijn, kijkt (een "reverse-looking" element). Detecteert een relais een fout in die achterwaartse richting, dan stuurt het een blokkeringssignaal naar de andere kant, dat een ogenblikkelijke afschakeling daar juist verhindert — de fout ligt immers buiten de eigen lijn, gezien vanaf dat relais. Ontbreekt het blokkeringssignaal, dan mag het ontvangende relais zijn eigen overreikende, voorwaartse zone ogenblikkelijk laten schakelen. Een blocking-schema is inherent minder afhankelijk van de beschikbaarheid van het communicatiekanaal dan een permissive-schema: bij uitval van de communicatie zelf ontbreekt het blokkeringssignaal, en schakelt het relais nog steeds — mogelijk iets minder selectief, maar niet trager — terwijl bij uitval van communicatie in een permissive-schema juist geen snelle afschakeling meer mogelijk is.

Praktische relevantie

Bij het beoordelen van het beveiligingsconcept van een hoogspanningslijn is het van belang niet alleen de zone-instellingen van de afstandsrelais afzonderlijk te controleren, maar ook te verifiëren welk teleprotectieschema (POTT, PUTT of blocking) is toegepast, of het communicatiekanaal voldoende beschikbaarheid en snelheid heeft voor het gekozen schema, en wat het beveiligingsgedrag is bij uitval van dat kanaal — een permissive-schema en een blocking-schema reageren wezenlijk verschillend op dezelfde communicatiestoring.

Veelgemaakte fouten

  1. Een permissive-schema (POTT/PUTT) toepassen op een lijn met een onbetrouwbaar of vaak uitvallend communicatiekanaal, zonder te beseffen dat de snelle, over de volle lijnlengte werkende afschakeling dan wegvalt en de fout op de vertraagde zone 2-tijd terugvalt.
  2. Bij een blocking-schema het achterwaarts kijkende element niet correct instellen, waardoor een fout buiten de eigen lijn niet wordt herkend als reden om het blokkeringssignaal te versturen.
  3. Vergeten dat zowel bij POTT als PUTT het relais altijd ook zelf een fout moet detecteren voordat het op het ontvangen signaal reageert, en dit als een overbodige extra voorwaarde beschouwen in plaats van een essentiële veiligheidsmarge.
  4. Het teleprotectieschema niet meenemen bij de beoordeling van de selectiviteit van de gehele beveiligingsketen, terwijl het schema direct bepaalt hoe snel een fout over de volle lijnlengte wordt afgeschakeld.

Gerelateerd

Verder lezen

Teleprotectie-schema's (ANSI 85) — permissive en blocking bij afstandsbeveiliging · NEN-Hub