Terugvermogenbeveiliging (ANSI 32) — waarom een generator die stil is blijven draaien nog geen bewijs is dat alles goed gaat
Terugvermogenbeveiliging (ANSI 32) — waarom een generator die stil is blijven draaien nog geen bewijs is dat alles goed gaat
De gids over parallelschakeling en synchronisatie van noodstroomaggregaten behandelt hoe een generator, voordat hij op het net of op een ander aggregaat wordt aangesloten, qua frequentie, spanning en fasehoek gelijk wordt gebracht. Dit artikel behandelt wat er kan gebeuren nadat die aansluiting tot stand is gekomen: de aandrijving van de generator (de motor, turbine) kan uitvallen terwijl de generator zelf, via zijn elektrische aansluiting, gewoon stil blijft ronddraaien — en waarom dit een specifieke beveiligingsfunctie vereist, terugvermogenbeveiliging, aangeduid met de ANSI-code 32.
Waarom een generator zonder aandrijving niet vanzelf stopt
Een synchrone generator die parallel aan het net (of aan een ander, gezond aggregaat) is geschakeld, wordt door dat net gedwongen om exact op netfrequentie te blijven draaien, ongeacht wat er met zijn eigen aandrijving gebeurt — zolang de magnetische koppeling tussen rotor en stator niet wordt verbroken. Valt de aandrijfmotor of -turbine uit (brandstoftekort, een mechanisch defect, een uitgevallen verbrandingsproces), dan levert de generator geen mechanisch vermogen meer aan de as, maar blijft hij, gedwongen door het net, wél op synchrone snelheid ronddraaien. Het net gaat dan het vermogen leveren dat nodig is om precies de wrijvings-, ventilatie- en andere verliezen van de niet meer aangedreven as te dekken: de generator functioneert op dat moment, elektrisch gezien, als een synchrone motor die door het net wordt aangedreven — vandaar de term anti-motoring-beveiliging voor deze functie.
Waarom dit schadelijk kan zijn, en waarom dat per aandrijftype verschilt
Een generator die als motor draait, trekt weliswaar maar een klein percentage van zijn nominale vermogen uit het net (net genoeg om de eigen verliezen te dekken), maar het probleem zit doorgaans niet in de elektrische belasting zelf: het zit in de aandrijving. Bij een verbrandingsmotor of gasturbine die als last wordt meegedraaid zonder brandstoftoevoer of zonder actieve verbranding, kan de as- en lagerbelasting, de smering of de thermische toestand van de aandrijving snel ongunstig worden; bij een stoomturbine kan het ontbreken van stoomdoorstroming zonder afdoende koeling van de laatste schoepenrijen binnen enkele minuten tot oververhitting van die schoepen leiden. De toelaatbare tijd dat een specifieke aandrijving als motor mag meedraaien voordat schade ontstaat, verschilt daarom sterk per aandrijftype — van enkele seconden tot enkele minuten — en bepaalt mede hoe snel de terugvermogenbeveiliging moet ingrijpen.
Werkingsprincipe: vermogensrichting bewaken, niet alleen vermogensgrootte
Een terugvermogenrelais meet het werkelijke (actieve) vermogen dat via de generatorklemmen stroomt, inclusief de richting ervan:
- Bij normaal bedrijf levert de generator vermogen aan het net (positief vermogen in de conventionele meetrichting).
- Bij een uitgevallen aandrijving keert de vermogensrichting om: het net levert nu een klein vermogen aan de generator (negatief, of "terug"-vermogen) om de as ronddraaiende te houden.
Zodra het gemeten vermogen deze omkering vertoont en een ingestelde drempel overschrijdt — doorgaans slechts enkele procenten (vaak in de orde van 0,5 % tot 3 %) van het nominale generatorvermogen, ruim onder wat voor normale bedrijfsschommelingen nodig zou zijn — spreekt de beveiliging aan en stuurt zij een uitschakelcommando naar de generatorschakelaar. Deze lage gevoeligheid is bewust: het vermogen dat nodig is om alleen de eigen verliezen van de niet aangedreven as te dekken, is doorgaans klein ten opzichte van het nominale vermogen, dus moet de beveiliging ook op een klein terugvermogen kunnen reageren om tijdig in te grijpen.
Waarom een korte tijdvertraging toch nodig is
Ondanks de lage gevoeligheid wordt een terugvermogenrelais niet ogenblikkelijk, maar met een korte, ingestelde tijdvertraging toegepast. Bij het parallelschakelen van een generator, of bij normale, kortstondige vermogensschommelingen van de aandrijving zelf (bijvoorbeeld een regelaar die tijdelijk overcompenseert), kan het gemeten vermogen even, en zonder dat er sprake is van een daadwerkelijk uitgevallen aandrijving, kortstondig negatief worden. Een korte tijdvertraging (doorgaans in de orde van enkele seconden) voorkomt dat de beveiliging op zulke onschuldige, voorbijgaande momenten al aanspreekt, terwijl hij nog altijd ruim binnen de tijd blijft die de meeste aandrijvingen zonder schade als motor kunnen doorstaan.
Let op: de exacte vermogensdrempel en tijdvertraging worden afgestemd op de daadwerkelijke, door de fabrikant opgegeven verliezen van de specifieke aandrijving in motorbedrijf en op de maximaal toelaatbare tijd in die toestand; dit artikel behandelt het principe, niet een pasklare instelling voor elk aandrijftype.
Praktische relevantie
Bij de inbedrijfstelling van een noodstroomaggregaat dat parallel aan het net of aan andere aggregaten kan draaien, moet de terugvermogenbeveiliging expliciet worden getest door een gecontroleerde terugvermogensituatie te simuleren (bijvoorbeeld door de brandstoftoevoer met de generator nog aangesloten gecontroleerd te onderbreken volgens de testprocedure van de fabrikant) — het is niet voldoende om alleen te controleren dat het relais correct is ingesteld, zonder de daadwerkelijke aanspreking in de praktijk te hebben waargenomen.
Veelgemaakte fouten
- Aannemen dat een generator die stil blijft draaien automatisch betekent dat de aandrijving nog functioneert — een generator die als motor door het net wordt aangedreven, blijft elektrisch gezien volkomen normaal aanvoelen zonder terugvermogenbeveiliging die dit signaleert.
- Dezelfde terugvermogendrempel toepassen op sterk verschillende aandrijftypen — de toelaatbare tijd en het typische verliesvermogen in motorbedrijf verschillen aanzienlijk tussen bijvoorbeeld een dieselmotor en een stoomturbine.
- De tijdvertraging te kort instellen — dit kan leiden tot onterecht aanspreken bij normale, kortstondige vermogensschommelingen tijdens regeling of parallelschakelen.
- Terugvermogenbeveiliging niet daadwerkelijk functioneel testen bij inbedrijfstelling — een relais dat alleen op instelwaarden is gecontroleerd, maar nooit een echte terugvermogensituatie heeft gezien, kan een verborgen bekradings- of instelfout hebben die pas bij een reëel aandrijvingsuitval aan het licht komt.
Gerelateerd
Verder lezen
- Praktijk (ANSI 27/59)Onder- en overspanningsbeveiliging (ANSI 27/59) — waarom een generator of motor ook tegen de eigen klemspanning beveiligd moet worden
- Praktijk (ANSI 87M)Motordifferentiaalbeveiliging (ANSI 87M) — waarom een grote motor sneller en gevoeliger beveiligd wordt dan met een gewone overstroomrelais
- Praktijk (ANSI 67, richtingsrelais)Richtingsafhankelijke overstroombeveiliging (ANSI 67) — waarom een gewone overstroomrelais bij een ringnet of dubbele voeding niet volstaat
- IEC 60076-1 / Praktijk (ANSI 87T)Differentiaalbeveiliging van een transformator (87T) — waarom deze snel is, maar het Buchholzrelais niet vervangt
- IEC 60076-1 / Praktijk (ANSI 64N/87N)Restricted earth fault (REF) beveiliging — waarom dit een gevoeligere aardfoutdetectie geeft dan de gewone differentiaalbeveiliging
- Praktijk (ANSI 81, ROCOF)Frequentiebeveiliging (ANSI 81) en ROCOF — hoe een relais netverlies herkent aan de snelheid van frequentieverandering