Aardweerstand — seizoensvariatie (vorst/droogte)
Verschijnsel waarbij de gemeten aardweerstand van een aardingssysteem aanzienlijk kan variëren met de seizoenen, doordat de soortelijke weerstand van de bodem sterk afhangt van het vochtgehalte en de temperatuur: bevroren grond en zeer droge grond hebben beide een veel hogere soortelijke weerstand dan vochtige, onbevroren grond. Een aardweerstandmeting uitgevoerd in een natte winterperiode kan daardoor een gunstiger (lagere) waarde opleveren dan dezelfde meting in een droge zomerperiode of bij vorst, terwijl de installatie in beide gevallen ongewijzigd is. Voor kritische toepassingen zoals bliksembeveiliging (IEC 62305-3) wordt daarom geadviseerd om metingen bij ongunstige bodemcondities uit te voeren, of om een veiligheidsmarge aan te houden ten opzichte van de grenswaarde, zodat de aardweerstand ook onder de ongunstigste seizoensomstandigheden nog voldoet.
Bij de oplevering van een bliksembeveiligingsinstallatie in augustus tijdens een droge periode houdt de installateur rekening met de te verwachten hogere aardweerstand in de winter en kiest een aardingsconfiguratie met voldoende marge onder de norm.
Een aardweerstandmeting slechts één keer uitvoeren, tijdens een gunstig vochtig moment in het jaar, en die waarde als permanent geldig beschouwen — een installatie die in de zomer nog net voldoet, kan in een droge periode of bij vorst boven de toegestane grenswaarde uitkomen.