Kelvin-vierdraadsmeting (lage weerstand)
Een meettechniek voor het nauwkeurig bepalen van zeer lage weerstanden (doorgaans onder 1 Ω, zoals contactweerstanden van lasklemmen, weerstand van kortsluitstroken of wikkelingsweerstand van transformatoren) waarbij, anders dan bij een gewone tweedraadsmeting, de stroominjectie en de spanningsmeting via afzonderlijke, elk aan hun eigen aansluitpunt bevestigde geleiderparen verlopen: twee 'stroomdraden' voeren een bekende, vaste testtroom door het meetobject, terwijl twee afzonderlijke 'spanningsdraden', dichter bij het eigenlijke meetobject aangesloten, uitsluitend de spanningsval over dat object registreren zonder zelf stroom te voeren. Doordat de spanningsmeetdraden praktisch stroomloos zijn, valt de weerstand van de meetdraden zelf en van de contactovergangen bij de aansluitklemmen (die bij een lage-weerstandsmeting met een gewone tweedraadsmeting al snel net zo groot of groter kunnen zijn dan de te meten weerstand) buiten de gemeten waarde, wat een veel hogere nauwkeurigheid oplevert. Kelvin-vierdraadsmeting wordt onder meer toegepast bij de continuïteitsmeting van beschermingsgeleiders volgens NEN 1010 bijlage 6A, bij het meten van doorlasweerstanden en bij het beoordelen van contactweerstanden van vermogensschakelaarcontacten tijdens NEN 3140-inspecties.
Om de contactweerstand van de hoofdcontacten van een uittrekbare vermogensschakelaar te beoordelen tijdens een NEN 3140-inspectie, gebruikt de inspecteur een micro-ohmmeter met Kelvin-vierdraadsaansluiting om een betrouwbare waarde te krijgen die niet vertekend is door de weerstand van de meetsnoeren zelf.
Een lage weerstand van enkele milliohm proberen te meten met een gewone tweedraads multimeter en de uitkomst voor waar aannemen, terwijl de weerstand van de testsnoeren en meetklemmen bij zulke lage waarden al een significant deel van de aflezing kan uitmaken.